Het Wetboek Goederenrecht en zonnepanelen: verkeerde voorbeelden leiden tot verkeerde conclusies (Blixt)

Auteur: Tim Vermeir (Blixt)

Publicatiedatum: 02/05/2021

In de memorie van toelichting bij het nieuwe wetboek goederenrecht doen de auteurs, op basis van één arrest, uitschijnen dat een PV-installatie een “inherent bestanddeel” van een gebouw is. Ze lijken daarmee aan te geven dat ze zonnepanelen als onroerend door incorporatie beschouwen. De vermelding van PV-installaties als voorbeeld is misplaatst. In ons land kunnen zonnepanelen vooralsnog geen “inherent bestanddeel” zijn, volgens de criteria die de auteurs zelf naar voor schuiven. Vermits het “substantiecriterium” even doorslaggevend lijkt te zijn als het “duurzaamheidscriterium” zijn zonnepanelen dus nog steeds roerende goederen en slechts in hele specifieke omstandigheden mogelijk onroerend.

De kwalificatie als roerend of onroerend van zonnepanelen is niet alleen van belang bij de verkoop van de installatie of van het gebouw waarop de installatie ligt. Ze is ook van belang voor de mogelijkheden om energiedelen (in de ruime zin van het woord) mogelijk te maken bij gebouwen met verschillende gebruikers. Als een PV-installatie onroerend zou zijn, bemoeilijkt dit de mogelijkheden voor een deel van de gebruikers van dat gebouw om samen daarin te investeren. Daarop kom ik in een latere analyse nog terug.

Alles wat volgens het nieuwe goederenrecht niet onroerend is, is roerend (art. 3.47). Onroerend zijn de grond en de volumes daarop (onroerend uit hun aard), de inherente bestanddelen, door incorporatie (onroerend door incorporatie) en de accessoria van een onroerend goed (onroerend door bestemming).

Een PV-installatie op een gebouw staat of ligt op het dak ervan. Dat gebouw is uiteraard onroerend. Is een PV installatie op een dak dan “onroerend door incorporatie”?

Volgens artikel 3.47, derde lid BW zijn onroerend door incorporatie “alle bouwwerken en beplantingen die, doordat zij geïncorporeerd zijn in onroerende goederen uit hun aard, hiervan een inherent bestanddeel vormen”.

Over de eerste voorwaarde stellen de auteurs dat “de onroerendmaking door incorporatie in beginsel uitgaat van een incorporatie die het element alle autonomie doet verliezen”. Ze lijken eerder te verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Die beschouwt al hetgeen dat bestemd is om op duurzame en gewoonlijke wijze met een onroerend goed verbonden is of erin vastzit als onroerend door incorporatie.

Op een hellend dak kan de installateur de PV-installatie (deels of volledig) integreren in het dak. De zonnepanelen vervangen dan (gedeeltelijk) de dakbedekking. Bij deze installaties lijkt het aannemelijk dat de installatie geïncorporeerd is in het gebouw. Die installaties zijn op duurzame wijze met het gebouw verbonden, zitten er zelfs in vast en vormen er een integraal onderdeel van.

Anders is het bij PV-installaties die niet in het dak geïntegreerd zijn.

Het merendeel van PV-installaties op hellende daken ligt bovenop de dakbedekking. De onderconstructie maakt de installateur stevig in het daktimmerwerk vast. Niet de panelen, maar wel de onderconstructies zijn dan geïncorporeerd in het dak. De PV-panelen zijn dat niet.

De zonnepanelen, die op de onderconstructie liggen, verliezen dus niet “alle autonomie”. Zonnepanelen op hellende daken zijn eenvoudig te verwijderen en te vervangen. Ze zitten er ook niet in vast. Hetzelfde geldt (nog meer) bij PV-installaties op platte daken. Zowel de onderconstructie als de PV-panelen daarop “staan” op het dak zonder enige vorm van vasthechting.

De panelen zelf zijn dus niet noodzakelijk op “duurzame of gewoonlijke wijze” met het dak verbonden. Bij een PV-installatie van een particuliere eigenaar op zijn eigen woning lijkt het evenwel aannemelijk dat de eigenaar wil dat die installatie zo lang mogelijk ter plaatse blijft en er duurzaam mee verbonden is. Bij PV-installaties van mede-eigenaars of derde investeerders is dit niet zo evident.

Daarenboven lijkt de wetgever de “duurzame of gewoonlijke” verbinding niet als enige criterium te hanteren. Apers schrijft dat, volgens de wetgever, een goed pas onroerend is door incorporatie “indien het door zijn incorporatie in een onroerend goed uit de aard, een inherent bestanddeel van dat onroerend goed uit de aard is geworden” (A. APERS, “Onderscheid tussen roerende en onroerende goederen”, in V. SAGAERT e.a. (eds.), Het nieuwe goederenrecht, p. 67). Dit is het criterium van de “bestanddeelvorming”. Ook “inherente bestanddelen” van die bouwwerken, die onroerend door incorporatie zijn, zijn onroerend, ongeacht of die bestanddelen zelf geïncorporeerd zijn.

Vormen die zonnepanelen op stevig vastgemaakte onderconstructies op hellende daken of op platte daken een “inherent bestanddeel” van het gebouw? De federale wetgever omschrijft een “inherent bestanddeel” als “een noodzakelijk element van dit goed dat er niet kan worden van afgescheiden zonder afbreuk te doen aan de fysieke of functionele substantie van dit goed”. Hij verwijst ook naar een arrest van het hof van beroep van Luik (zonder dit evenwel aan te halen). Daarin oordeelde het hof dat

l’installation [photovoltaïque] ainsi réalisée a pour objectif d’assurer à titre principal la nécessaire fourniture en électricité du bâtiment sans laquelle celui-ci ne pourrait être considéré comme complet, l’alimentation traditionnelle déjà existante étant devenue subsidiaire ou complémentaire.

Zoals Vandewalle in haar uitvoerige en interessante analyse al aangaf, valt uit het arrest van het Luikse hof van beroep niets af te leiden over de specifieke omstandigheden in die zaak. Die moeten wel bijzonder zijn als de PV-installatie zou dienen voor de voornaamste elektriciteitsbevoorrading van het gebouw. Het moet zijn dat dit gebouw ligt in een streek waar de zon quasi permanent schijnt en er geen winters met weinig daglicht zijn. Het is bedenkelijk dat de indieners van het wetsvoorstel dit arrest aanhalen om het “substantiecriterium” of “bestandsdeelcriterium” te verduidelijken. Nergens in België volstaat een PV-installatie om de reguliere elektriciteitslevering via het publieke net (quasi) volledig te vervangen. Zolang batterijen ook niet economisch zinvol lijken, lijken (semi) “off-grid” situaties zoals het hof van Luik die meent te dromen fictie.

Als, zoals Apers lijkt aan te geven, dat substantiecriterium even belangrijk is als het duurzaamheidscriterium, dan lijkt daaraan bij PV-installaties op gebouwen juist niet te zijn voldaan.

Hoewel de indieners van het wetboek goederenrecht het nodig vonden om zonnepanelen expliciet te vermelden in hun memorie van toelichting, brengt die vermelding dus niets bij aan de kwalificatie van PV-installaties. Ze zorgt enkel voor verwarring. Dit geldt des te meer nu het “criterium van de bestanddeelvorming” expliciet is opgenomen in het burgerlijk wetboek. PV-installaties vormen, tot nader order, geen “inherent bestanddeel” van een gebouw. Niets verzet zich dan ook tegen de invalshoek dat een PV-installatie helemaal niet onroerend door incorporatie is maar gewoon roerend is.

Lees hier het originele artikel