Het Hof van Cassatie oordeelt: een niet-concurrentiebeding overleeft de ontbinding van een contract, principieel ook ten voordele van de wanpresterende partij – Cass. 26.02.2021 (Integra Advocaten)

Auteurs: Kristof Vanhove, Jeroen Stevens en Arthur Weyens (Integra Advocaten)

Publicatiedatum: maart 2021

1. De postcontractuele werking van bedingen

In een arrest van 23 oktober 2017 sprak het Hof van Cassatie zich al uit over de vraag of een clausule ook na een ontbinding van de overeenkomst nog (verder) uitwerking kan krijgen: “De regel dat de ontbinding van een wederkerige overeenkomst krachtens artikel 1184 Burgerlijk Wetboek, tot gevolg heeft dat de overeenkomst, in beginsel, met terugwerkende kracht teniet wordt ongedaan gemaakt, sluit niet uit dat contractuele bedingen die tot voorwerp hebben de gevolgen van de ontbinding tussen de partijen te regelen, verder uitwerking krijgen”.

Bepaalde clausules kunnen na de ontbinding van de overeenkomst dus wel degelijk nog uitwerking krijgen tussen partijen. In casu ging het om “bedingen die de gevolgen van de ontbinding tussen de partijen regelen”.

De grondslag voor dit “overleven” van dergelijke postcontractuele bedingen vindt zijn grondslag in de contractsvrijheid. (1)

Bij een retroactieve vernietiging van de overeenkomst aanvaardt men overigens in principe eenzelfde postcontractuele werking van dergelijke clausules. (2) Niettemin zal de rechter zich steeds de vraag moeten stellen of deze nietigheid toch geen invloed heeft op de “overleving” van deze postcontractuele clausules, bv. wanneer de nietigheid van de overeenkomst gestoeld is op de onbekwaamheid of het gebrek aan toestemming van een van de contractanten.

Het toekomstige artikel 5:117 BW gaat trouwens in dezelfde zin: “De beëindiging van het contract heeft geen gevolgen voor de verbintenissen en bedingen die, gelet op de bedoeling van de partijen en op de grond van tenietgaan, zijn bestemd om van toepassing te blijven. De wet, de goede trouw of de gebruiken kunnen ook verbintenissen opleggen na het einde van het contract. De regels betreffende de contractuele verbintenissen zijn daarop van toepassing, tenzij hun aard of strekking zich daartegen verzet.”

2. Wat bij onrechtmatige verbreking van de overeenkomst?

Een klassiek voorbeeld van een beding dat na beëindiging van een overeenkomst verder uitwerking blijft krijgen is een nietconcurrentiebeding. De partijen kunnen inderdaad bedingen dat bij (beëindiging of) ontbinding van de overeenkomst, een van hen door een nietconcurrentiebeding gebonden blijft (gedurende een welbepaalde duur).

Interessant is de vraag of een contractspartij in wiens voordeel een post-contractueel nietconcurrentiebeding is bedongen, zich hierop kan beroepen indien uitgerekend deze (begunstigde) partij zélf op onrechtmatige wijze een buitengerechtelijke verbreking van de overeenkomst heeft bewerkstelligd?

Immers, een geldig niet-concurrentiebeding zou in dergelijke omstandigheden kunnen worden uitgevoerd in strijd met de vrijheid van ondernemen (van de partij gebonden door het niet-concurrentiebeding) (zoals thans opgenomen in art. II.3 WER). Die bepaling verzet zich immers tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van ondernemen. Welnu, de toepassing van een nietconcurrentiebeding ten voordele van een partij die de overeenkomst onrechtmatig verbreekt zou een onevenredige beperking van de vrijheid van ondernemen kunnen inhouden.

In een arrest van 26 februari 2021 oordeelde het Hof van Cassatie als volgt: “de uitvoering van een in tijd en ruimte en op het vlak van de geviseerde activiteiten beperkt nietconcurrentiebeding (beperkt niet) steeds op onevenredige wijze de vrijheid van ondernemen (…) wanneer de overeenkomst die het beding bevat, onrechtmatig werd beëindigd door de
partij in wiens voordeel de nietconcurrentie was bedongen.”

De essentie zit in het woord “steeds”. In de regel zal een onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst zich niet verzetten tegen de uitwerking ervan ten voordele van de contractspartij die (zelfs) op onrechtmatige wijze de overeenkomst heeft beëindigd. In de regel kan die zich toch beroepen op de postcontractuele werking van het nietconcurrentiebeding dat in zijn of haar voordeel werd bedongen. Dit is niet ipso facto in strijd met de vrijheid van ondernemen.

Echter, het Hof lijkt niet uit te sluiten dat in bepaalde omstandigheden er toch sprake kan zijn van een onevenredige inperking van de vrijheid van ondernemen in dergelijke gevallen. Alles zal dus afhangen van de concrete omstandigheden waarin het beroep op het niet-concurrentiebeding wordt gedaan.

Hetzelfde zal o.i. gelden indien de uitwerking van het beding zou worden bestreden op grond van de goede trouw c.q. rechtsmisbruik (art. 1134 Oud B.W.).

3. Advies

Een solide redactie van een niet-concurrentiebeding is dus essentieel, niet enkel voor de geldigheid ervan, maar ook voor de concrete uitwerking ervan. Aangezien de post-contractuele werking van bedingen gebaseerd is op de wilsautonomie, kan perfect worden bedongen dat een nietconcurrentiebeding nooit kan gelden ten voordele van een partij die zelf verantwoordelijk is voor de ontbinding van de overeenkomst (en dus geen algemene ongebreidelde werking heeft).

Werd er contractueel niets voorzien, dan kan alsnog op grond van de vrijheid van ondernemen dan wel de goede trouw worden getracht de uitwerking van het beding te bestrijden, maar dat zal, zoals blijkt uit het besproken cassatiearrest, slechts kunnen indien uit de omstandigheden blijkt dat er een onevenredige beperking van de vrijheid van ondernemen zou blijken (hetzij onevenredige benadeling van de belangen van de wederpartij).

(1) J.BAECK, “Restitutieclausules” in G.-L. BALLON, H. DE DECKER, V. SAGAERT, E.TERRYN, B. TILLEMEN en A.-L. VERBEKE (eds.), Contractuele
clausules. Gemeenrechtelijke clausules. II, Antwerpen, Intersentia, 2013, 1597 (voor restitutieclausules).

(2) T.TANGHE, Gedeeltelijke ontbinding en vernietiging van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2015, 175-178.

Lees hier het originele artikel