>>Weigering om getuigen à décharge te horen vereist concrete motivering (Joachim Meese)

Weigering om getuigen à décharge te horen vereist concrete motivering (Joachim Meese)

Auteur: Advocatenkantoor Joachim Meese

Publicatiedatum: 28/02/2019

Over de verplichting van de vonnisrechter om getuigen à charge te horen wanneer de beklaagde daarom verzoekt, is het standpunt van de rechtspraak ondertussen genoegzaam bekend. Gaat het echter om een vraag tot het horen van een getuige à décharge, dan is de toestand iets anders.

In een arrest van 26 februari 2019 van het Hof van Cassatie (P.18.1028.N) komen de beide aspecten aan bod. Wat het eerste aspect betreft, past het arrest uiteraard de drie criteria toe die ondertussen tot de vaste rechtspraak behoren (zie de opsomming in randr. 7 van het arrest).

Het is echter vooral wat het tweede aspect betreft, dat het arrest interessant is. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de rechter aan wie gevraagd wordt een getuige à décharge te horen, er bij zijn oordeel over moet waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht (randnr. 13). Het Hof verduidelijkt dat de rechter zijn beslissing over deze vraag moet steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst (randnr. 14). Die concrete omstandigheden kunnen, aldus het Hof, onder meer betrekking hebben op “de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert”.

Het gaat hier dus om een andere beoordeling dan bij een verzoek tot het horen van een getuige à charge. In het arrest wordt er ook aan toegevoegd dat de rechter er niet toe gehouden is bij de afwijzing van het verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van getuigen à décharge de voormelde criteria betreffende het horen van getuigen à charge te betrekken (randnr. 14). 

In casu hadden de appelrechters de vraag tot het horen van getuigen à décharge afgewezen met de enkele reden dat deze personen geen getuigen à charge zijn en dat de door hen afgelegde verklaringen niet als bewijs tegen de beklaagde in aanmerking werden genomen. Uiteraard volstaat dat niet en dus wordt het bestreden arrest vernietigd.

Omtrent deze problematiek heeft de Grote Kamer van het EHRM op 18 december 2018 nog een belangrijk arrest uitgesproken (Murtazaliyeva t. Rusland, zie  randnummers 136-177 of lees ons focus artikel over dit arrest). Er mag aangenomen worden dat de toekomstige Belgische rechtspraak nog meer aansluiting zal zoeken bij het toetsingskader dat het EHRM in die zaak heeft vastgelegd.

Lees hier het originele artikel

2019-03-12T09:18:10+00:00 12 maart 2019|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |