>>Verlies rechtspersoonlijkheid na invereffeningstelling of ontbinding : uitbreiding strafvordering. Wet van 18 maart 2018 (LegalNews.be)

Verlies rechtspersoonlijkheid na invereffeningstelling of ontbinding : uitbreiding strafvordering. Wet van 18 maart 2018 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 23/05/2018

Wat wijzigt er?

Art. 20, tweede lid van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is in die zin gewijzigd, dat er nu wordt voorzien dat de strafvordering in geval van verlies van de rechtspersoonlijkheid nog in twee gevallen kan worden uitgeoefend zonder dat het bewijs moet worden geleverd dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel had aan de vervolging te ontsnappen.

Naast het geval van de inverdenkingstelling overeenkomstig artikel 61bis Wetboek van Strafvordering door de onderzoeksrechter, wordt ingeschreven dat dit mogelijk is indien de rechtspersoon voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid reeds door het onderzoeksgerecht werd verwezen dan wel rechtstreeks werd gedagvaard voor de strafrechter ten gronde. Het betreft in beide gevallen een situatie waarbij de rechtspersoon vóór het verlies van de rechtspersoonlijkheid formeel in kennis werd gesteld van het feit waarvoor hij werd vervolgd.

De grondslag van de wijziging: het arrest van het Grondwettelijk Hof van 11 mei 2017.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in het arrest nr. 54/2017 dat: “In het licht van het door de wetgever nagestreefde doel om misbruiken te voorkomen, het niet redelijk verantwoord is dat de strafvordering ten aanzien van die categorieën van rechtspersonen enkel kan worden voortgezet indien wordt aangetoond dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel had aan de vervolging te ontsnappen, terwijl dat bewijs niet is vereist voor de voortzetting van de strafvordering ten aanzien van de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling of hun ontbinding door een onderzoeksrechter in verdenking zijn gesteld, nu de betrokken rechtspersonen in elk van die gevallen vóór het verlies van hun rechtspersoonlijkheid kennis hebben van de ingestelde strafvordering. Bijgevolg is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling doet ontstaan, wat het verval van de strafvordering betreft, tussen, enerzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling of hun ontbinding in verdenking zijn gesteld door een onderzoeksrechter en, anderzijds, de rechtspersonen die vóór hun invereffeningstelling of hun ontbinding door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard.”

De ‘Wet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht’ van 18 maart 2018 leest u hier

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 11 mei 2017 leest u hier