>>Strafrechtelijke beteugeling coronamaatregelen (GSJ Advocaten)

Strafrechtelijke beteugeling coronamaatregelen (GSJ Advocaten)

Auteur: GSJ Advocaten

Publicatiedatum: 01/04/2020

Elkeen is ondertussen stilaan vertrouwd met de maatregelen die de regering oplegde teneinde de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Horecazaken, handelszaken en winkels zijn gesloten, met uitzondering van voedingswinkels, apotheken, krantenwinkels en tankstations, markten zijn verboden. Telethuiswerk is verplicht bij alle niet essentiële bedrijven, voor de functies waarbij dat niet mogelijk is moet een afstand van 1,5 meter tussen personen gerespecteerd worden. Samenscholingen zijn verboden, alsook privé- en publieke evenementen. De lessen in het kleuter-, lager en secundair onderwijs zijn geschorst. Niet essentiële reizen vanuit België zijn verboden. Personen zijn verplicht om zoveel mogelijk thuis te blijven, enkel essentiële verplaatsingen zijn toegestaan. Buitenwandelingen en de beoefening van een fysieke activiteit zijn enkel toegestaan individueel of met personen die onder hetzelfde dak wonen, of met telkens een zelfde vriend. Ook wanneer men zich met dat oogmerk buiten begeeft dient de social distancing van 1,5 meter gerespecteerd te worden.

De juridische basis hiervoor is het Ministerieel Besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken (BS 23 maart 2020), in werking getreden eveneens op 23 maart 2020. In de media werd beperkt aandacht besteed aan de beteugeling van de inbreuken op deze maatregelen. De vraag stelt zich op welke wijze deze inbreuken zullen worden vervolgd en hoe zij kunnen worden gesanctioneerd.

Artikel 10 van het MB van 23 maart 2020 stelt dat inbreuken op de artikelen 1 (sluiting horecazaken, handelszaken en winkels), 5 (verbod op samenscholingen en evenementen en regeling inzake buitenwandelingen en het beoefenen van een fysieke activiteit) en 8 (verplichting thuis te blijven en verbod op niet essentiële verplaatsingen) van het MB gesanctioneerd worden, in geval van strafrechtelijke vervolging, met de straffen bepaald door artikel 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Concreet betekent dit dat een gevangenisstraf van 8 dagen tot 3 maanden geriskeerd wordt en/of een geldboete van 208,00 EUR tot 4.000,00 EUR.

Zal elke inbreuk op de maatregelen leiden tot strafrechtelijke vervolging? Dit lijkt zeker niet het geval te zijn. Het College van procureurs-generaal maakte immers op 25 maart 2020 een omzendbrief op (COL 06/2020), bevattende richtlijnen betreffende de gerechtelijke handhaving van de coronamaatregelen.

Vooreerst stelt de omzendbrief dat de politiediensten bij de vaststelling van een eerste inbreuk een proces-verbaal opstellen, tenzij er duidelijk sprake is van goede trouw bij de betrokken personen. Een inbreuk kan dus, in geval van goede trouw, nog worden opgelost met een waarschuwing. Wordt er wel een proces-verbaal opgesteld m.b.t. een eerste inbreuk, dan zal er steeds een minnelijke schikking worden voorgesteld van 750,00 EUR voor handelaars en uitbaters en organisatoren van een activiteit, en van 250,00 EUR voor alle andere overtreders. Vanaf de vaststelling van een tweede inbreuk, of in geval van niet betaling van de minnelijke schikking, stelt de omzendbrief dat er rechtstreeks gedagvaard wordt voor de correctionele rechtbank.

Verder verwijst de omzendbrief nog naar een aantal artikelen uit het Strafwetboek die ook in beeld kunnen komen in deze coronatijden, zoals bv. artikel 328bis, op basis waarvan het iemand bespugen of het vrijwillig hoesten of niezen in iemands buurt bestraft kan worden. De omzendbrief besteedt daarnaast ook bijzondere aandacht aan inbreuken gepleegd door minderjarigen. Tenslotte wordt ook een regeling voorzien voor inbreuken op de welzijnswetgeving (wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en tal van uitvoeringsbesluiten). Ondernemingen die niet de nodige maatregelen nemen om de gezondheid of veiligheid van hun werknemers optimaal te waarborgen, kunnen in geval van een eerste inbreuk gesanctioneerd worden met een minnelijke schikking van 1.500,00 EUR. In geval van herhaling, of bij niet betaling van de minnelijke schikking, wordt er rechtstreeks gedagvaard voor de correctionele rechtbank.

Tenslotte stelt zich de vraag of de inbreuken ook kunnen worden gesanctioneerd door middel van GAS-boetes. Op 31 maart 2020 verspreidde het College van procureurs-generaal nog een bericht met de mededeling dat het toepassen van de GAS-wet op vandaag in strijd is met de huidige stand van de regelgeving, en dus dat het niet kan. Het College benadrukt daarbij ook dat het van mening is dat de strafrechtelijke afhandeling hoe dan ook de voorkeur geniet, omwille van de meeste garanties op een uniforme, zekere, rechtvaardige en coherente beteugeling. Dit neemt niet weg dat GAS-boetes binnenkort misschien tóch kunnen, de regelgeving evolueert immers van dag tot dag.

Lees hier het originele artikel

2020-04-18T10:30:27+00:00 20 april 2020|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |