>>Problemen bij verbeurdverklaring van een onroerend goed ten belope van een bepaalde geldsom (Gevaco Advocaten)

Problemen bij verbeurdverklaring van een onroerend goed ten belope van een bepaalde geldsom (Gevaco Advocaten)

Auteur: Jan Swennen (Gevaco Advocaten)

Publicatiedatum: 16/06/2020

De rechtspraktijk ondervindt recent moeilijkheden over de interpretatie van rechterlijke uitspraken die onroerende goederen verbeurd verklaren ten belope van een bepaalde geldsom.

In ons land worden rechterlijke uitspraken voor zover ze betrekking hebben op inning van geldsommen of verbeurdverklaringen ten uitvoer gelegd door het Ministerie van Financiën. De Procureur des Koning maakt hiertoe de vonnissen en arresten over aan de dienst niet-fiscale invorderingen van het Ministerie van  Financiën, die bevoegd is voor de uitvoering.

Het minste wat kan gezegd is dat, tot voor kort, diende vastgesteld dat de uitvoering van rechterlijke uitspraken op financieel vlak weinig prioriteit genoot bij Financiën. Zo is mij de casus bekend van de drugbaron die zijn boete van miljoenen euro’s zonder problemen mocht afbetalen  à rato van 50 € per maand en rustig in zijn huis bleef wonen. Die tijd ligt definitief achter ons.

De zesde staatshervorming liet toe in de schoot van het Ministerie van Financiën nieuwe diensten in het leven te roepen om o.m. verbeurdverklaarde onroerende goederen te verkopen. Zo beschikt die dienst bijvoorbeeld sedert 2017 over een website waar de onroerende goederen  die de Staat verkoopt terug te vinden zijn. Zie www.finimmoweb.be.

Er doen zich evenwel interpretatiemoeilijkheden over hoe een uitspraak moet worden uitgevoerd. Een voorbeeld uit de praktijk. Een rechtbank verklaart in een witwasdossier een huis, waarvan ze meent dat het deels met zwart geld werd aangekocht, verbeurd ten belope van het bedrag voorwerp van de witwas bijv. 200k.

Een dergelijke uitspraak kan men op twee manieren begrijpen.

Een ; het onroerend goed dient in ieder geval verbeurd te worden verklaard, d.w.z. valt toe aan de Belgische Staat die het moet valoriseren = verkopen en van de opbrengst van de verkoop valt vervolgens aan de Staat een bedrag van 200k toe. Het bedrag boven de 200k is voor de veroordeelde.

Twee ; de veroordeelde hoest 200k op, betaalt dat bedrag aan de Belgische Staat die dan ook heeft waar ze recht op heeft en het huis blijft waar het was en wordt niet openbaar verkocht.

De administratie van Financiën lijkt resoluut te kiezen voor optie één, ook al is er voorafgaand met de Procureur des Konings een schriftelijk akkoord gesloten dat het volstaat de som, voorwerp van de witwas in casu 200k, te betalen ter uitvoering van het vonnis. Thans verkoopt de Belgische Staat meerdere onroerende goederen waarbij de eigenaar bereid is het bedrag neer te leggen dat de tegenwaarde vormt van het bedrag van de witwas.

Meer nog, de Belgische Staat lijkt zich op het standpunt te stellen dat ingevolge de definitief geworden verbeurdverklaring de huurgelden eveneens dienen te worden doorgestort aan de Belgische Staat, dat de huurders geen rekening meer mogen houden met hun aanvankelijke contractuele relatie met de verhuurders/ veroordeelden. De huurovereenkomst geldt ingevolge de verbeurdverklaring dan ook nog enkel tussen Belgische Staat en de huurder. De Belgische Staat stelt zich één op één in de plaats ven de veroordeelde verhuurder.

Wij menen dat het van het allergrootste belang is tijdens de procedure voor de strafrechter aandacht voor deze problematiek te hebben en er met grote zorg over te waken dat het vonnis zodanig is gelibelleerd (= geformuleerd) dat kan volstaan worden met de betaling van het bedrag van de witwas en dat slechts, indien het bedrag niet wordt betaald, het onroerend goed mag aangesproken worden voor verbeurdverklaring.

Dit zijn nieuwe vorm van betwistingen die kaderen in de professionelere organisatie van de strafuitvoering waarbij dient vastgesteld dat Justitie zich eindelijk bedient van  de wet op de uitvoeringsonderzoeken die al sedert 2003 bestaat (de zgn. SUO-wet). Deze wet  verleent aan de Procureur des Konings bijzonder verregaande bevoegdheden te onderzoeken of de veroordeelde wel al het mogelijke doet wat in zijn vermogen ligt om te betalen waartoe hij veroordeeld is. Als men tijdens dit onderzoek vermogensbestanddelen aantreft die nog kunnen worden aangesproken worden die ten gelde gemaakt om de openstaande boetes te betalen. Dit gebeurt zelfs indien de betrokkenen een akkoord hebben met de ontvanger van penale boetes om een overeengekomen maandelijks bedrag te betalen voor de kwijting van de boetes.

Wij houden u op de hoogte over de manier waarom bovenvermeld interpretatieprobleem een oplossing zal krijgen.

Lees hier het originele artikel

2020-07-01T07:01:40+00:00 1 juli 2020|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |