>>Nieuw jeugddelinquentierecht goedgekeurd in Vlaams parlement (LegalNews.be)

Nieuw jeugddelinquentierecht goedgekeurd in Vlaams parlement (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 09/02/2019

Het Vlaams Parlement heeft op 6 februari 2019 het nieuwe jeugddelinquentierecht goedgekeurd, waarvan de inwerkingtreding voorzien is op 1 september 2019.

De uitgangspunten

1. Verantwoordelijkheid van jongeren als constructief vertrekpunt

De jongere wordt verantwoordelijk gesteld voor zijn daden en de gevolgen ervan. De reactie op een jeugddelict moet zich richten op de schade die de minderjarige aan zijn slachtoffer en de maatschappij heeft veroorzaakt.

De leeftijd van twaalf jaar wordt aanvaard als ondergrens bij het aanspreken van jongeren op hun verantwoordelijkheid. Onder die leeftijd kan er geen sprake zijn van verantwoordelijkheid. Dat betekent dat voor minderjarigen die jeugddelicten plegen maar de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt hebben, enkel een aanbod mogelijk is, of kan worden opgetreden, vanuit het kader van de jeugdhulp. De bovengrens voor de toepasselijkheid van het jeugddelinquentierecht is achttien jaar.

Reacties op het jeugddelict gepleegd door minderjarigen zijn onder het jeugddelinquentierecht mogelijk tot de leeftijd van drieëntwintig jaar. Enige uitzondering hierop wordt gevormd door een nieuwe sanctie die wordt geïntroduceerd met dit ontwerp van decreet. Voor een beperkt aantal jeugddelicten, en voor de doelgroep van minderjarige veelplegers, wordt de mogelijkheid geboden tot het uitspreken van een langere sanctie met een maximale duur van twee, vijf of zeven jaar. Hierdoor kan in bepaalde gevallen (afhankelijk van de leeftijd van de pleger) de leeftijd van drieëntwintig jaar worden overschreden bij de uitvoering. Ook deze (lange) reactie op het jeugddelict moet een constructief en herstelgericht karakter inhouden.

2. Duidelijke, snelle, constructieve en herstelgerichte reacties op jeugddelicten gepleegd door minderjarigen

Een specifiek en duidelijk aanbod aan reacties naar aanleiding van het plegen van een jeugddelict draagt bij om de normbevestigende reactie te onderscheiden van jeugdhulp die eventueel nodig is. Reacties op jeugddelicten moeten niet alleen duidelijk zijn voor de betrokken minderjarigen. Er moet ook duidelijkheid geboden worden aan de ouders/opvoedingsverantwoordelijken, slachtoffers en de maatschappij.

3. Evidencebased

Evidencebased werken betekent een werking die gebaseerd is op kwantitatieve en/of kwalitatieve (wetenschappelijke onderzoeks)gegevens.
Het jeugddelinquentierecht moet structureel ruimte maken voor systemen als monitoring, rapportering en evaluatie. De actoren die betrokken zijn bij de uitvoering van dit ontwerp van decreet houden rekening met de kennis en inzichten verworven uit wetenschappelijk onderzoek en goede praktijken.

4. Gedifferentieerd aanbod van reacties op jeugddelinquentie

Er wordt meer differentiatie beoogd in de reacties die ter beschikking staan van het openbaar ministerie en de jeugdrechtbanken als alternatief voor plaatsing. Het ontwerp van decreet strekt er eveneens toe niet alleen voor reactiemogelijkheden te zorgen die kunnen worden ingezet ten aanzien van minderjarigen, maar ook een appel mogelijk te maken op de verantwoordelijkheid van ouders of opvoedingsverantwoordelijken.

De factoren waarmee de jeugdrechter of jeugdrechtbank rekening houdt bij het nemen van een beslissing zijn, overeenkomstig de hier opgesomde volgorde:

  • de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer
  • de persoonlijkheid en maturiteit van de betrokken jongere
  • recidive, of het risico op recidive
  • de veiligheid van de maatschappij
  • de leefomgeving van de betrokken minderjarige
  • de veiligheid van de betrokken minderjarige.

Uit de beslissing van de jeugdrechter of jeugdrechtbank moet duidelijk blijken op welke wijze met de verschillende factoren rekening is gehouden.

De herstelgerichte afhandeling krijgt prioriteit in het aanbod aan reacties.

5. Afstemming met het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp

Er wordt prioritair ingezet op een vlotte verbinding tussen jeugdhulpverlening en de reactie op jeugddelicten.

Voor de gevallen waarin wordt geoordeeld dat er nood is aan gerechtelijke jeugdhulpverlening (gedwongen, opgelegde jeugdhulpverlening) voor een minderjarige verdachte of minderjarige delictpleger, wordt aan het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp een nieuwe vorderingsgrond toegevoegd. Met deze nieuwe derde vorderingsgrond kan het openbaar ministerie de betrokken jeugdrechter of jeugdrechtbank rechtstreeks vatten met het oog op het nemen van een (gedwongen) hulpverleningsmaatregel.

In het bijzonder voor jongeren met een complexe en meervoudige problematiek, is het absoluut noodzakelijk dat de in de wet van 8 april 1965 vooropgestelde, maar nooit in werking getreden maatregelen, geactiveerd kunnen worden. Het betreft het opleggen van een ambulante behandeling bij een psychologische of psychiatrische dienst of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving, plaatsing in een ziekenhuis, residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving of enige andere vorm van verslaving, en plaatsing in een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst.

Ook het inbrengen van het werken met voorwaarden in dit ontwerp van decreet is een belangrijke manier om het aanbod van jeugdhulpverlening te verbinden aan de reactie op een jeugddelict.

6. Gesloten opvang als meest ingrijpende reactie op een jeugddelict

Voor jongeren die zich in een verontrustende opvoedings- of leefsituatie bevinden en minderjarige (vermoedelijke) delictplegers, komen er twee gescheiden sporen.

Het ontwerp van decreet reserveert een gesloten plaatsingsmogelijkheid voor personen die jeugddelicten plegen.

In uitzonderlijke omstandigheden blijft het mogelijk om jongeren vanaf zestien jaar uit handen te geven en te berechten als een volwassene.

7. Rechtswaarborgen en kwaliteitseisen

Met uitzondering van welbepaalde artikelen, wordt het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp van toepassing gemaakt op minderjarige (vermoedelijke) delictplegers. Wat minderjarigen betreft die voor een bepaalde periode van hun vrijheid worden beroofd, wordt bijkomend gekeken naar het decreet van 10 maart 2017 houdende het externe toezicht en de externe klachtenregeling bij voorzieningen voor vrijheidsbenemende opvang van kinderen en jongeren, mogelijks aangevuld met aspecten uit de rechtspositie van gedetineerden. Jongeren kunnen rekenen op formele maar toegankelijke interne en externe klachtmogelijkheden en op een onafhankelijk orgaan waar ze een klacht kunnen indienen. Met het begrenzen van duur en mogelijkheden tijdens de voorbereidende rechtspleging versterkt het jeugddelinquentierecht de rechtswaarborgen van de betrokken partijen. Het begrenzen van de voorbereidende fase tot in principe zes maanden wordt als uitgangspunt vooropgesteld. De uitzonderingen hierop worden decretaal expliciet aangegeven. De mogelijkheden van het parket om een aanbod te doen op het vlak van de reactie op jeugddelinquentie blijven beperkt om zo min mogelijk afbreuk te doen aan het vermoeden van onschuld. Nieuw is het regelgevend invoeren van een aanbod van een positief project met een maximale duur van dertig uur.

Lees hier het verslag van 29 januari 2019 namens de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over het ontwerp van decreet

2019-02-09T12:43:08+00:00 9 februari 2019|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: |