>>Het Grondwettelijk Hof spreekt zich nogmaals uit over de bijzondere procedure in geval van misdrijven gepleegd door magistraten (Waeterinckx Advocaten)

Het Grondwettelijk Hof spreekt zich nogmaals uit over de bijzondere procedure in geval van misdrijven gepleegd door magistraten (Waeterinckx Advocaten)

Auteur: Waeterinckx Advocaten

Publicatiedatum: 09/02/2018

Het Wetboek van Strafvordering voorziet in een bijzondere procedure voor de misdrijven gepleegd door magistraten en door bepaalde andere ambtsdragers (bijvoorbeeld ministers). Die bijzondere regeling is het zogenaamde voorrecht van rechtsmacht, dat werd ingevoerd met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting hebben tot doel om te vermijden dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de betrokken personen op gang zouden worden gebracht en, anderzijds, diezelfde personen hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

Het stelsel werd al herhaaldelijk onderworpen aan het oordeel van het Grondwettelijk Hof. Heel recent werd het opnieuw aangevochten voor dit Hof, dat uiteindelijk uitspraak deed over een klein onderdeel ervan (GwH 1 februari 2018, nr. 9/2018). Het betrof in het bijzonder het onderscheid dat wordt gemaakt tussen magistraten van eerste aanleg (‘lagere’ magistraten) en magistraten van de hoven van beroep (‘hogere’ magistraten). Het Hof controleerde of het stelsel van voorrecht van rechtsmacht ten aanzien van die eerste groep magistraten in overeenstemming is met het recht op toegang tot de bevoegde rechter. Voor magistraten van de hoven van beroep wordt dit recht volgens het Hof gewaarborgd door een bij wet geregelde tussenkomst van het Hof van Cassatie. Dat Hof beslist dan om de zaak te verwijzen naar het vonnisgerecht dan wel naar een onderzoeksrechter. Bij magistraten van eerste aanleg is enkel het openbaar ministerie bij het hof van beroep bevoegd om te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, en is er dus geen rechterlijke tussenkomst.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde hierover dat op een onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van magistraten van eerste aanleg omdat er voor deze groep niet is voorzien in een rechterlijke tussenkomst.

Het Hof besloot bijgevolg tot een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het recht op toegang tot de bevoegde rechter. Het is nu wachten op een wetgevend initiatief. Hoe dan ook lijkt een grondige hervorming van de volledige procedure aangewezen.

Lees hier het originele artikel

2018-03-14T09:41:14+00:00 14 maart 2018|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , |