>>Grondwettelijk Hof waarschuwt opnieuw tegen een te strenge toepassing van de voorwaarden voor het verzet – arrest van 17 mei 2018 (LegalNews.be)

Grondwettelijk Hof waarschuwt opnieuw tegen een te strenge toepassing van de voorwaarden voor het verzet – arrest van 17 mei 2018 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 24/05/2018

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 mei 2018 waarschuwt tegen te strenge toepassing van de voorwaarden voor het verzet vanuit de bescherming van de rechten van verdediging.

LegalNews.be vroeg meer uitleg aan mr. Catherine Van de Heyning (advocaat Eubelius).

Het ongedaan verzet: het arrest van 21 december 2017

Met de potpourri-II wet verstrengde de wetgever aanzienlijk de voorwaarden voor het instellen van een verzet tegen een verstekvonnis. Deze wijziging was een antwoord op de irritatie dat er wel vaker louter om strategische redenen verstek werd gelaten door partijen.

Het nieuwe artikel 187 Sv. bepaalt dat de rechter zich niet opnieuw ten gronde moet uitspreken indien het aangetekend verzet onontvankelijk is en ongedaan. De rechter moet het verzet als ongedaan beschouwen indien de eiser in verzet vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging. De rechter kan soeverein oordelen of er al dan niet sprake is van overmacht of een wettige reden.

Deze nieuwe bepaling beperkte eveneens de beroepsmogelijkheid tegen een vonnis waarin het verzet ongedaan wordt beschouwd. Artikel 187, § 9, lid 2 Sv. bepaalt dat een beroep ingesteld tegen een beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt ertoe leidt dat de grond van de zaak in beroep aanhangig wordt gemaakt. Dit betekent concreet dat de rechter in graad van beroep zich niet kan uitspreken over de beoordeling van de eerste rechter over het al dan niet bestaan van een wettige reden tot verschoning, maar ineens in graad van beroep over de grond van de zaak oordeelt.

De prejudiciële vraag voor het grondwettelijk hof: beperkte beroepsmogelijkheden

In navolging van het arrest van 21 december 2017 rees de vraag of de beperkte mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een vonnis over het ongedaan verzet wel verenigbaar is met het recht op verdediging.

Aan de grondslag van het arrest van 17 mei 2018 ligt een prejudiciële vraag van het hof van beroep te Luik. Het hof moest immers oordelen over een beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank te Luik die vaststelde dat het aangetekende verzet ongedaan moest beschouwd worden bij gebrek aan een wettige reden tot verschoning. Het Hof van beroep te Luik legde deze vraag voor aan het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk Hof waarschuwt opnieuw tegen te strenge toepassing van artikel 187 Sv.

Het Grondwettelijk hof oordeelt in haar arrest van 17 mei 2018 dat de beperkte mogelijkheid tot beroep gerechtvaardigd is in zover de criteria voor de beoordeling van een ongedaan verzet conform haar eerdere arrest van 21 december 2017 worden geïnterpreteerd.

In dit arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof ten eerste dat de bewijslast niet op de beklaagde kan rusten.

Concreet betekent dit dat:

  • het alleen toekomt aan de vervolgende partij en/of burgerlijke partij om aan te tonen dat er kennis was van de dagvaarding en;
  • het volstaat dat de verzetdoende partij ‘gewag maakt’ van overmacht of van een wettige reden van verschoning, en dus dat zij het bestaan van die reden voldoende aannemelijk maakt, zonder dat zij daarvan het bewijs dient te leveren.

Ten tweede waarschuwde het Grondwettelijk Hof tegen een te enge lezing van de begrippen “overmacht” en “wettige reden” in het licht van de EHRM-rechtspraak die een zo breed mogelijke toegang tot de rechter garandeert. Volgens het Hof blijft het verzet effectief voor de verstek latende partij die geen afstand hebben gedaan van het recht om te verschijnen en zich te verdedigen en geen intentie hadden zich aan het gerecht te onttrekken.

In zover het ongedaan verzet op die wijze wordt geïnterpreteerd meent het Grondwettelijk Hof dat de beperkte mogelijkheid in beroep geen afbreuk doet aan artikel 6 EVRM omdat de beklaagde de mogelijkheid behoudt om opnieuw te worden berecht en een nieuwe beslissing over de strafvordering te verkrijgen. Daarmee laat het Grondwettelijk Hof enerzijds de bestaande beperking voor het beroep ongemoeid, maar waarschuwt het wel voor een te strikte interpretatie van artikel 187, § 6 Sv.

Lees hier het arrest van 17 mei 2018

2018-05-24T15:34:04+00:00 24 mei 2018|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , , |