>>Grondwettelijk Hof schorst verbod persoonlijke verschijning geïnterneerden (Publius)

Grondwettelijk Hof schorst verbod persoonlijke verschijning geïnterneerden (Publius)

Auteur: Meindert Gees (Publius)

Publicatiedatum: 25/02/2021

Het Hof schorst het tijdelijke en principiële verbod voor geinterneerden om in persoon te worden gehoord op de zittingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met arrest van 25 februari 2021 met nr. 32/2021.

Met artikel 46 van de wet van 20 december 2020 ‘houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ werd vooorzien dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij in een heel aantal gevallen tot 31 maart 2021 (maar verlengbaar), niet langer de geínterneerde in persoon hoort. Enkel zijn advocaat en het openbaar ministerie zouden worden gehoord, tenzij de kamer hier anders over oordeelt bij een gemotiveerde beslissing.

Deze bepaling kadert in de strijd tegen de COVID-19-pandemie en strekt ertoe het aantal fysieke contacten tussen mensen en het aantal overbrengingen van geÏnterneerde personen zoveel als mogelijk te beperken.

Volgens een aantal geïntimeerden is het echter essentieel dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij hen in persoon kan horen om zich een correct beeld van hun persoonlijke toestand te kunnen vormen.

Het Hof aanvaardt deze kritiek en oordeelt dat niet wordt aangetoond dat de doelstellingen gestoeld op het beperken van fysieke contacten, niet kan worden bereikt door minder verregaande maatregelen.

‘B.8.5. Hoewel het legitieme doel dat erin bestaat de volksgezondheid te beschermen door fysieke contacten tussen mensen zo veel als mogelijk te beperken, een aanpassing van de procedure voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan verantwoorden, zou het niet redelijkerwijs kunnen verantwoorden dat aan kwetsbare personen, zelfs tijdelijk, de mogelijkheid wordt ontzegd om in persoon te worden gehoord op de zittingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, terwijl die kamer de mentale of psychische toestand waarin die personen zich bevinden, correct moet kunnen beoordelen om te vermijden dat zij langer dan noodzakelijk van hun vrijheid worden beroofd. De in het geding zijnde maatregel is onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel.’

Het Hof gaat effectief over tot schorsing. De onmogelijkheid, zelfs tijdelijk, voor geïnterneerde personen om in persoon te worden gehoord op de zittingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, terwijl dit cruciaal is voor de oordeelsvorming van de rechter over hun persoonlijke, mentale of psychische toestand, kan leiden tot een onnodige verlenging van hun internering of tot de onnodige weigering van een gevraagde maatregel. Een onterechte vrijheidsberoving kan immers niet met terugwerkende kracht worden verholpen.

Lees hier het originele artikel

2021-03-06T11:27:06+00:00 9 maart 2021|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |