>, Vennootschapsrecht>De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteur: Patrick Waeterinckx (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 21/10/2019

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon – Moet de regeling i.v.m. de lasthebber ad hoc onder artikel 2bis V.T.Sv. ‘op de schop’ omwille van de afschaffing van de decumulregel onder oud artikel 5, lid 2 Sw.

Anno 2019 kan de rechtspersoon al exact twintig jaar strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld worden. De invoering van deze strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen verliep echter niet zonder slag of stoot. Het oude artikel 5, lid 2 Sw. regelde op een nodeloos ingewikkelde wijze de samenloop van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon. Die zgn. ‘decumulregeling’, overigens vanuit internationaal perspectief enig in haar soort, zorgde vaak voor meer problemen dan oplossingen. Recent werd deze regeling eindelijk afgeschaft door de wet van 11 juli 2018; tenminste voor feiten gepleegd na 30 juli 2018. Daarvoor geldt nu de ‘algemene’ regel dat rechtspersonen en natuurlijke personen beiden kunnen worden veroordeeld als het feit hen verwijtbaar is, ongeacht of de feiten opzettelijk of uit onachtzaamheid zijn begaan en ongeacht het “gewicht” van hun respectieve fouten.

Een van de vragen die rijst bij de recente afschaffing van de ‘decumulregel’ heeft betrekking op artikel 2bis V.T. Sv. Dit artikel regelt de situatie van de (ambtshalve of op verzoekschrift) aanstelling van een lasthebber ad hoc (hierna: ‘LAH’) als vertegenwoordiger van de rechtspersoon, wanneer die rechtspersoon wordt vervolgd voor dezelfde of samenhangende feiten als zijn ‘normale’ wettelijke vertegenwoordiger. De ratio legis van deze regeling is om belangenconflicten te vermijden tussen de rechtspersoon en de natuurlijke persoon die hem normaal in rechte vertegenwoordigt.

Door het gaandeweg (niet voor feiten gepleegd voor 30 juli 2018) verdwijnen van de toepassing van de ingewikkelde ‘decumulregeling’, zal in de praktijk gaandeweg ook een belangrijke bron van potentiële belangenconflicten verdwijnen. Dit zal ongetwijfeld een impact hebben op de noodzaak om een LAH aan te stellen.

Echter mag men m.i. uit een te verwachten vermindering van mogelijke gevallen waarin men artikel 2bis V.T. Sv. in de toekomst zal (kunnen) toepassen, niet meteen besluiten dat de regeling i.v.m. de LAH op de schop moet. Zelfs zonder de ‘decumulregeling’ kan en zal de LAH een rol van betekenis kunnen spelen. Om deze rol betekenisvol te kunnen invullen, zijn enkele aanpassingen aan de huidige LAH-regeling uit artikel 2bis V.T. Sv. meer dan wenselijk. Immers is de huidige regeling niet aangepast aan de werkelijke noden van de praktijk. Voor deze noodzakelijke wijziging kan inspiratie worden gezocht over de grens en een wat ouder wetsontwerp waar maximaal ruimte wordt gelaten aan de rechtspersoon om zijn verdediging naar eigen inzicht te regelen. De rechter komt pas tussen bij misbruiken die ertoe zouden kunnen leiden dat de rechtspersoon de facto zonder verdediging komt te staan. Daarnaast moet de regeling ook zo worden geconcipieerd dat zij in een zo vroeg mogelijk stadium belangenconflicten kan opvangen.

Tijd dus om de hervormingen binnen het landschap van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen wat verder en consequenter door te trekken…

Lees hier het originele artikel

2019-11-01T15:23:39+00:00 13 november 2019|Categories: Straf- en strafprocesrecht - Vennootschapsrecht|Tags: |