>>De opheffing van het strafrechtelijk beslag uitgelegd (Van Steenbrugge Advocaten)

De opheffing van het strafrechtelijk beslag uitgelegd (Van Steenbrugge Advocaten)

Auteur: Jana Riemslagh (Van Steenbrugge Advocaten) 

Publicatiedatum: 06/03/2020

Stel: je geeft je wagen in bewaring aan een garage met als doel hem te verkopen. Of nog eenvoudiger: je brengt je wagen naar een garage voor herstelling. Derde voorbeeld: je hebt een relatie met iemand, je woont officieel niet samen, maar enkele goederen van jou zijn aanwezig in het huis van jouw partner. Geen zeldzame situaties.  Wat je niet weet, is dat de garagist of jouw partner al een tijd geviseerd wordt door de politiediensten waardoor er finaal een huiszoeking plaatsvindt en jouw goederen mede in beslag worden genomen.

Fantasie? Neen, het komt in de praktijk meer voor dan je zou denken. Hoe krijg je deze goederen weer in jouw bezit? Op die vragen geven we hier een antwoord. We gaan er natuurlijk wel van uit dat je als persoon vreemd bent aan het strafrechtelijk onderzoek dat lopende is.

Als buitenstaander bij een lopend strafrechtelijk onderzoek heb je weinig, tot geen rechten om kennis te nemen van de inhoud van het lopend onderzoek. Artikel 21bis van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat enkel ‘rechtstreeks belanghebbenden’ inzage kunnen krijgen in het vooronderzoek. Daaronder wordt verstaan: de inverdenkinggestelde, degene tegen wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek, de verdachte, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de burgerlijke partij en degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd. Als “buitenstaander” val je niet onder één van deze categorieën, dus heb je geen recht op inzage. Als je geen inzage in het vooronderzoek hebt, ben je dus ook niet in de mogelijkheid te weten te komen wat de precieze aard van het onderzoek is en wat de rol van jouw eigendom in dat onderzoek is.

Zelfs indien je wel de hoedanigheid van (een van) deze categorieën zou bezitten, is dit nog steeds geen garantie op inzage. De onderzoeksrechter of de procureur des Konings beslist immers zelf of jouw verzoek tot inzage al dan niet wordt toegekend.

Hoe reageer je dan best?

Om de vrijgave van het goed te bekomen in een gerechtelijk onderzoek is de onderzoeksrechter het aanspreekpunt. Bij een opsporingsonderzoek is dat de procureur des Konings. Het zijn deze actoren die beslissen over de eventuele vrijgave van het in beslag genomen goed.

Je kunt de onderzoeksrechter of de procureur des Konings eventueel aanschrijven met een gewone brief. Zij kunnen, naar gelang of het gaat over een opsporingsonderzoek, dan wel een gerechtelijk onderzoek, zelf te allen tijde, lopende het vooronderzoek, beslissen om het beslag op te heffen. Een belangrijk argument hierbij is het feit dat je als eigenaar van het goed te goeder trouw bent en geheel buiten het strafrechtelijk onderzoek staat. De inbeslagname kan immers o.a. worden verricht met het oog op eventuele toekomstige verbeurdverklaring van het goed.

De verbeurdverklaring is een bijkomende straf, en kan bijgevolg enkel opgelegd worden aan iemand die veroordeeld is door de bodemrechter. Het is een fundamenteel beginsel van onze rechtstaat dat elke straf een persoonlijk en individueel karakter moet kennen en dus slechts kan worden opgelegd aan iemand die het misdrijf heeft gepleegd of als strafbare deelnemer heeft geageerd. Een beslag kan echter niet als voorbestraffing gebeuren. Dit behoort uitsluitend toe aan de bodemrechter.

Aangezien de eigendom van het goed waarvan hier sprake toebehoort aan iemand die vreemd is aan het onderzoek, en het proces ten gronde, kan er dus gesteld worden dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het goed in aanmerking zou komen voor eventuele verbeurdverklaring.

Het verzoek tot opheffing kan eveneens worden gericht aan de onderzoeksrechter d.m.v. een officieel verzoekschrift conform artikel 61quater van het Wetboek van Strafvordering. Bij een opsporingsonderzoek dien je het verzoek te richten aan de procureur des Konings en is artikel 28sexies van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. Beide actoren moeten hier – volgens de wet – binnen de 15 dagen op antwoorden. Die verplichte antwoordtermijn is bij een gewone brief niet het geval.

De onderzoeksrechter (of de procureur des Konings) kan het verzoek tot vrijgave van het goed weigeren indien

  • de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen,
  • door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen,
  • de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen,
  • wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet.

Het komt er dus op neer om de onderzoeksrechter, dan wel de procureur des Konings te overtuigen dat geen van deze weigeringsgronden voorhanden zijn. Zoals eerder al uiteengezet kan dit voor de nodige moeilijkheden zorgen, gelet op het feit dat je als buitenstaander geen inzagerecht hebt en moeilijk (in detail) kan weten wat de grondslag is van het beslag. ‘De noodwendigheden van het onderzoek’ is bovendien een veel voorkomende, doch niet altijd verhelderende of veelzeggende motivering, teneinde het beslag van het goed niet te hoeven lichten.

Indien de onderzoeksrechter of de procureur des Konings de vrijgave van het goed zou weigeren is er nog een laatste stap die kan worden gezet. Binnen een termijn van 15 dagen kan je hoger beroep aantekenen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Indien het beroep wordt afgewezen, geldt een wachttermijn van drie maanden alvorens je een nieuw verzoekschrift (met hetzelfde voorwerp) bij de onderzoeksrechter dan wel de procureur des Konings kan neerleggen.

Het essentiële juridische argument is dat inbeslagname van goederen van personen die in se niet de eigendom uitmaken van de (rechts)persoon waarnaar een onderzoek lopende is, moeilijk vol te houden is, wanneer de rechtmatige eigenaar te goeder trouw is en hiervan de teruggave vraagt. De rechtsleer is duidelijk: er mag geen afbreuk gedaan worden aan de rechten van bonafide derden. Het is de taak van advocaten de gerechtelijke instanties daar steeds  aan te herinneren.

Lees hier het originele artikel

2020-03-11T15:48:42+00:00 17 maart 2020|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: , |