>>De geplande hervormingen binnen het strafuitvoeringslandschap (Van Steenbrugge Advocaten)

De geplande hervormingen binnen het strafuitvoeringslandschap (Van Steenbrugge Advocaten)

Auteurs: Louis Carlier en An-Sofie Raes (Van Steenbrugge Advocaten)

Publicatiedatum: 09/07/2021

Via diverse kanalen maakte onze minister van Justitie Vincent Van Quickenborne zijn plannen bekend tot het effectief laten uitvoeren van korte gevangenisstraffen vanaf 1 december 2021. Met deze plannen wil minister Van Quickenborne een einde stellen aan het gevoel van straffeloosheid. Maar is deze zweem van straffeloosheid terecht en wat zijn de toekomstplannen dan?

Het antwoord op de eerste vraag dient gezocht te worden in de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf. Deze wet bepaalt dat de invulling van de uitvoering van straffen tot en met drie jaar toebehoort aan de ‘strafuitvoeringsrechter’, en van straffen boven de drie jaar aan de strafuitvoeringsrechtbank. De bepalingen met betrekking tot het invoeren van het ambt van de ‘strafuitvoeringsrechter’ zijn echter nooit in werking getreden. Deze juridische lacune heeft tot gevolg dat voor de strafuitvoering van straffen tot en met drie jaar dient teruggegrepen te worden naar verschillende ministeriële omzendbrieven, en dat de beslissingen omtrent de strafuitvoering worden genomen door de gevangenisdirecteur of de directie detentiebeheer.

Gevangenisstraffen van tot en met drie jaar

In principe kan men stellen dat gevangenisstraffen tot drie jaar thans niet effectief via detentie in de gevangenis worden uitgevoerd[1]. Mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, zullen deze straffen worden uitgevoerd via elektronisch toezicht, de zogenaamde ‘enkelband’.

Gevangenisstraffen van meer dan drie jaar

Bij deze straffen zal de directie detentiebeheer (in geval van uitgaansvergunning of penitentiair verlof), of de strafuitvoeringsrechtbank (in geval van beperkte detentie, elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling) oordelen over de toekenning van eventuele modaliteiten van de strafuitvoering. Aan het toekennen van deze strafuitvoeringsmodaliteiten zijn voorwaarden verbonden, alsook een termijn gedurende dewelke men in detentie blijft vooraleer deze modaliteiten kunnen aangevraagd en toegekend worden. Na 1/3 van de straf in detentie te hebben uitgevoerd – 2/3 in geval van wettelijke herhaling – komt een veroordeelde in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

De toekomstplannen voor straffen van drie jaar of minder

Op 17 april 2019 werd er wederom een wetvoorstel goedgekeurd tot het effectief invoeren van het ambt van de ‘strafuitvoeringsrechter’. Dit zou tot gevolg hebben dat bepaalde straffen onder de drie jaar doorgaans niet meer via elektronisch toezicht zouden worden uitgevoerd. Staffen minder dan 18 maanden zouden in principe effectief in de gevangenis moeten worden uitgevoerd, doch onmiddellijk – en voorafgaand aan het zich aanbieden aan de gevangenis – kan een verzoek gericht worden aan de ‘strafuitvoeringsrechter’ tot het verkrijgen van een elektronisch toezicht of beperkte detentie. Indien men veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf van meer dan 18 maanden, kan de veroordeelde pas na 1/3 van deze straf te hebben doorgebracht in detentie een verzoek richten aan de ‘strafuitvoeringsrechter’ tot vervroegde vrijlating. Zes maanden daarvoor kan men een verzoek richten aan de ‘strafuitvoeringsrechter’ om de resterende straf te mogen uitvoeren via elektronisch toezicht of beperkte detentie.

Dit wetsvoorstel zou oorspronkelijk in werking treden op 1 december 2020. Gelet op de Covid-maatregelen werd de inwerkingtreding eerst uitgesteld naar 1 april 2021 om vervolgens uitgesteld te worden naar 1 december 2021.

In een vorig artikel werd reeds ingegaan op de problematiek van de overbevolking van de gevangenissen in België (zie vorig artikel geschreven door mr. Berfin Altinisik). Om zijn plannen werkbaar te maken, heeft minister Van Quickenborne beloofd om nieuwe gevangenissen te bouwen en stelt hij dat het bij de hervorming van het Strafwetboek – dat in 2022 in werking zou moeten treden – het niet langer mogelijk zal zijn om bij de laagste categorie van misdrijven een vrijheidsberovende straf op te leggen.

De vraag stelt zich echter of het laten uitvoeren van korte gevangenisstraffen een prioriteit binnen justitie dient te zijn. Minstens in welke mate men effectief de daad bij het woord zal kunnen voegen aangezien dit onze gevangenispopulatie enorm zal laten toenemen en België nu al één van de slechtste leerlingen binnen Europa is wat betreft de overbevolking binnen de gevangenissen. Voer voor discussie.

[1] Bij bepaalde zedenmisdrijven ten aanzien van minderjarigen waarbij een effectieve straf werd opgelegd van 1-3 jaar zal de directie detentiebeheer, na het uitvoeren van een onderzoek door de psychosociale dienst en navolgend advies van de gevangenisdirectie, oordelen over het kunnen uitvoeren van de opgelegde gevangenisstraf via elektronisch toezicht. Een gelijkaardig systeem geldt bij terrorisme of gewelddadig extremisme, in deze gevallen zal eerst een advies ingewonnen worden van een expert met betrekking tot deze problematieken. Tijdens deze onderzoeken en adviesverlening, blijft de veroordeelde in de gevangenis.

Lees hier het originele artikel

2021-07-12T10:45:56+00:00 14 juli 2021|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: |