>>Betaling eisen na relatiebreuk voor achtergelaten bezittingen en gedane investeringen kan afpersing zijn. Cassatie 8 september 2020 (LegalNews)

Betaling eisen na relatiebreuk voor achtergelaten bezittingen en gedane investeringen kan afpersing zijn. Cassatie 8 september 2020 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 11/09/2020

Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 februari 2020

Het arrest veroordeelt de X wegens de telastlegging poging afpersing zoals omschreven in de bewoordingen van de wet.

X eiste van zijn ex-partner de betaling van 30.000,00 euro voor de door hem achtergelaten persoonlijke bezittingen na de relatiebreuk en de door hem gedane investeringen in hun voormalig gezamenlijk bewoond appartement

Bij de relatiebreuk vroeg X 30.000 euro van zijn ex-partner, zo niet zouden er “erge dingen met haar gebeuren” of “zou alles in rook opgaan”. Later werd het bedrag naar 13.000 euro verlaagd. Op 1 juli 2014 werd 5.500 euro op de rekening van X gestort als dading (= Settlement)”;

Het feit dat X meent recht te hebben op het geld dat hij van zijn ex-partner vroeg, neemt het moreel bestanddeel van het misdrijf niet weg.

Het arrest geeft te kennen dat X heeft gepoogd om ten nadele van zijn ex-partner een geldbedrag van 30.000,00 euro af te persen door haar met behulp van bedreiging te dwingen om tot de betaling ervan over te gaan, ongeacht of dit bedrag hem “toekwam” omdat hij daarvoor een schuldvordering op die ex-partner zou hebben gehad.

De visie van het Hof van Cassatie

Artikel 470 Strafwetboek straft degene die met behulp van geweld of bedreiging hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt, afperst.

De constitutieve bestanddelen van het misdrijf afpersing zijn, naast het gebruik van dwang of bedreiging, het zich toe-eigenen van andermans goed of van een onrechtmatig voordeel ten nadele van een ander.

Het geldbedrag waarvoor een schuldeiser een schuldvordering op zijn schuldenaar heeft, is geen goed dat de schuldeiser toebehoort. Dat bedrag kan immers enkel het voorwerp uitmaken van een vorderingsrecht van de schuldeiser op het vermogen van de schuldenaar.
Het feit dat de dader zich vanwege het slachtoffer een geldbedrag toe-eigent omdat dit bedrag hem verschuldigd is en hem dus “toekomt”, sluit dan ook het bestaan van het materiële constitutieve bestanddeel van het misdrijf afpersing niet uit, evenmin als van een ander vermogensmisdrijf zoals diefstal of oplichting.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Lees hier het Cassatie-arrest van 8 september 2020

2020-09-11T09:48:07+00:00 11 september 2020|Categories: Straf- en strafprocesrecht|Tags: |