>, Burgerlijk recht, Overheidsopdrachten, Publiek recht>Kan het feit van een derde voor de aannemer een onvoorzienbare omstandigheid vormen in de zin van artikel 16 § 2 AAV (thans artikel 56 KB AUR)?! Het Hof van Cassatie verduidelijkt (Advocatenbureau Van Cauter)

Kan het feit van een derde voor de aannemer een onvoorzienbare omstandigheid vormen in de zin van artikel 16 § 2 AAV (thans artikel 56 KB AUR)?! Het Hof van Cassatie verduidelijkt (Advocatenbureau Van Cauter)

Auteur: Advocatenbureau Van Cauter

Publicatiedatum: 08/03/2018

Overeenkomstig artikel 56 KB AUR kan een aannemer, hetzij om verlenging van de uitvoeringstermijnen, hetzij, wanneer hij een zeer belangrijk nadeel heeft geleden, om een andere vorm van herziening of de verbreking van de overeenkomst vragen door onder meer onvoorzienbare omstandigheden te doen gelden. In zijn arrest van 22 september 2016 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat omstandigheden, toe te rekenen aan het feit van een derde die de aannemer kan identificeren en op wie hij de schadeverwekkende gevolgen kan verhalen, buiten het toepassingsgebied vallen van artikel 56 KB AUR (voordien artikel 16 § 2 AAV).

Feiten. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van het Hof van Cassatie van 22 september 2016 werd de aannemer van rioleringswerken tijdens de uitvoering van deze werken door het gemeentebestuur verhinderd om haar werken verder uit te voeren [1]. Doordat de aannemer het wegdek had beschadigd, weigerde het gemeentebestuur meer bepaald enerzijds aan de aannemer de vereiste wegvergunning te verlenen, anderzijds gaf het gemeenbestuur geen toelating aan de aannemer om zijn werfkeet te plaatsen. De aannemer werd door het gemeentebestuur verplicht om eerst de vereiste herstellingen aan het wegdek uit te voeren. Hierdoor liep de aannemer 64 werkdagen vertraging op. De aannemer bekloeg zich bij de aanbestedende overheid (zijnde de intercommunale Igretec) omwille van de verstoringen veroorzaakt door het gemeentebestuur en diende bij deze intercommunale een vordering tot schadevergoeding in van 393.397,55 EUR.

Argumentatie van de aannemer (eiser in cassatie). In ondergeschikte orde ontwikkelde de aannemer de argumentatie dat de weigering van het gemeentebestuur om hem de vereiste vergunning en toelating te bezorgen een onvoorzienbare omstandigheid vormde die een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 16 § 2 AAV wettigde. Het gemeentebestuur was voor de aannemer een derde (vermits geen partij bij het contract tussen aannemer en intercommunale) en de weigering van voormelde vergunning en toelating tijdens de uitvoering van diens werken had de aannemer bij de indiening van zijn offerte niet kunnen voorzien. De aannemer krijgt in eerste aanleg en in hoger beroep [2] ongelijk en dient daarom cassatieberoep in.

Beslissing van het Hof van Cassatie. Het Hof van Cassatie volgt de redenering van de aannemer, eiser in cassatie, evenmin. Volgens Het Hof van Cassatie is artikel 16 § 2 AAV (thans artikel 56 KB AUR) niet van toepassing op omstandigheden die toe te rekenen zijn aan het feit van een derde die de aannemer kan identificeren en op wie hij de schadeverwekkende gevolgen van dat feit kan verhalen.

Belang van het arrest. In het verleden werd aangenomen dat feiten te wijten aan een derde die de uitvoering van een overheidsopdracht verstoren slechts onder welbepaalde voorwaarden een onvoorzienbare omstandigheid kunnen vormen in de zin van artikel 16 § 2 AAV[3]. Zo werd opgemerkt dat deze derden in ieder geval vreemd moeten zijn aan de contractuele relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Indien deze derden een uitvoeringsagent is van één van hen beiden (bvb. een studiebureau aangesteld door de aanbestedende overheid), kan geen toepassing worden gemaakt van art. 16 § 2 AAV [4].

Door het arrest van het Hof van Cassatie van 22 september 2016 wordt het duidelijk dat ook nog andere elementen voor de aannemer de toepassing van artikel 16 § 2 AAV in de weg kunnen staan indien een derde de uitvoering van een overheidsopdracht verstoort. Indien met name deze derde voor de aannemer identificeerbaar is en de aannemer tegen deze derde over een beroepsmogelijkheid beschikt om de nadelige gevolgen van het feit te verhelpen (die deze derde veroorzaakt) [5] kan de aannemer zich evenmin op de toepassing van artikel 16 § 2 AAV (thans artikel 56 KB AUR) beroepen.

Lees her het originele artikel

[1] Cass. 22 september 2016, nr. C.15.0154.F, Philippe Rousseaux nv en Entreprises Koeckelberg nv. Het Hof van Cassatie buigt zich in zijn arrest over de toepassing van artikel 16 § 2 AAV, maar de argumentatie van het hof geldt eveneens voor de toepassing van artikel 56 van KB AUR (d.i. het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten, zoals onder meer gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 22 juni 2017).

[2] Luik 26 september 2014, T. Aann. 2017, afl. 1, 68-73.

[3] Luik, 3de kamer, 1 maart 2000, AG 1995/676, onuitg.; Rb. Hasselt 22 november 1982, T. Aann. 1983, p. 15.

[4] Zie DELVAUX, A., DE WOLF, C, e.a., Praktische commentaar bij de reglementering van de overheidsopdrachten, deel 2, Brussel, Confederatie Bouw, 2016, 468-469. In voorkomend geval zal de aannemer of de aanbestedende overheid zich op een tekortkoming van de andere contractspartij moeten beroepen op grond van art. 54 resp. art. 60 KB AUR.

[5] Indien de aannemer evenwel slechts over de mogelijkheid beschikt om ten aanzien van deze derde een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering in te stellen omwille van diens verstoring van de uitvoering van de opdracht, zou er volgens Delvaux voor de aannemer geen belet zijn om zich op artikel 16 § 2 AAV te beroepen (DELVAUX, A., “Circonstances extraordinaires et imprévisibles et fait d’un tiers: une précision” (noot onder Cass. 22 september 2016), T. Aann. 2017, afl. 1, 61-67).