>>>De Raad voor Vergunningsbetwistingen komt een eerste keer écht aan zet onder het Onteigeningsdecreet (Equator)

De Raad voor Vergunningsbetwistingen komt een eerste keer écht aan zet onder het Onteigeningsdecreet (Equator)

Auteurs: Steven Van Garsse en Anouck Vanermen (Equator Advocaten)

Publicatiedatum: 12/08/2020

De Raad voor Vergunningsbetwistingen[1] is, sinds de inwerkingtreding van het Onteigeningsdecreet[2] op 1 januari 2018[3], bevoegd om kennis te nemen van beroepen die worden ingesteld tegen definitieve onteigeningsbesluiten.[4] Het heeft echter tot 3 maart 2020 geduurd voordat de Raad een dergelijk beroep inhoudelijk heeft kunnen behandelen.[5] Voor dit arrest zag de Raad zich telkens genoodzaakt om het beroep af te wijzen wegens een gebrek aan rechtsmacht.

1. Ter vervanging van een reeks federale wetten[6], waarvan sommige nog uit de negentiende eeuw stamden, heeft Vlaanderen sinds de inwerkingtreding van het Onteigeningsdecreet een eigen onteigeningsrecht.[7]

2. In het Onteigeningsdecreet wordt een onderscheid gemaakt tussen de bestuurlijke fase en de gerechtelijke fase. Het eindpunt van de bestuurlijke fase is het definitief onteigeningsbesluit.[8] Bij gebrek aan een minnelijk akkoord zal de onteigenende instantie vervolgens de betrokkenen moeten dagvaarden voor de vrederechter[9], indien het effectief wil overgaan tot de onteigening. De dagvaarding vormt in deze hypothese het startpunt van de gerechtelijke fase. De vrederechter zal de wettigheid van de onteigening toetsen[10] en zal ook de eventuele vergoeding vaststellen die aan de onteigende toekomt[11].

3. De onteigende kan echter vóór hij gedagvaard wordt al stappen ondernemen tegen het definitief onteigeningsbesluit. Overeenkomstig art. 43 van het Onteigeningsdecreet kunnen belanghebbenden tegen het definitief onteigeningsbesluit een vernietigingsberoep instellen bij de RvVb.

4. Deze regeling is zoals gezegd sinds 1 januari 2018 van kracht. Toch heeft het tot 3 maart van dit jaar geduurd voordat de RvVb een eerste inhoudelijk arrest heeft kunnen vellen. De reden hiervoor is de verdeling van bevoegdheden tussen de federale hoven en rechtbanken enerzijds en de (Vlaamse) bestuursrechtscolleges anderzijds. Van zodra de gerechtelijke fase van start gaat, door middel van de vermelde dagvaarding voor de vrederechter, zal de RvVb zich onbevoegd moeten verklaren wanneer de voor de vrederechter gedagvaarde betrokkene zich tot de Raad went.[12] Personen die niet zijn gedagvaard maar die wel een belang hebben bij de vernietiging van het onteigeningsbesluit, kunnen wel nog een beroep instellen bij de RvVb wanneer de gerechtelijke fase reeds begonnen is.[13]

5. De weinige beroepen die de voorbije jaren bij de RvVb werden ingesteld tegen een definitief onteigeningsbesluit, werden telkens afgewezen omdat de gerechtelijke fase van de onteigening reeds begonnen was.[14] Daarbij vormt het overigens geen probleem als het vernietigingsberoep voor de RvVb reeds was ingesteld – eens de vrederechter geadieerd wordt, vervalt de bevoegdheid van de RvVb.[15] Het arrest van 3 maart 2020 vormt een – voor zover bij ons bekend – voorlopige eerste uitzondering op deze reeks. In deze zaak was de gerechtelijke fase nog niet begonnen toen de verzoekende partij, de heer Sterck, voor de RvVb de vernietiging vorderde van het definitief onteigeningbesluit van de provincieraad van Antwerpen, waarin werd besloten om over te gaan tot onteigening van de heer Sterck zijn woning. De RvVb kreeg in dit arrest dus een eerste kans om zijn rechtspraak met betrekking tot onteigeningen te ontwikkelen.

6. In deze zaak ging het over een woning die grenst aan het provinciaal domein Rivierenhof te Deurne, Antwerpen. Naar aanleiding van een herindeling van het domein, wenste de provincie een technisch centrum te bouwen om de dienstinfrastructuur van het domein te centraliseren. Aan het einde van de bestuurlijke fase bleek de woning van de heer Sterck op de ideale locatie te liggen en werd, bij gebrek aan een minnelijk akkoord, besloten om een definitief onteigeningsbesluit te nemen.

7. De heer Sterck vecht dit besluit aan bij de RvVb en voert in zijn eerste middel de schending van verschillende bepalingen aan. In essentie komt het erop neer dat hij, aldus de Raad, de noodzaak tot onteigening betwist. Het feit dat er een alternatieve locatie is, waarbij er geen onteigening zou moeten plaatsvinden, heeft volgens de verzoekende partij tot gevolg dat er geen noodzaak tot onteigening is. De Raad doorprikt deze redenering echter: “Het enkel gegeven dat er voor een project mogelijke alternatieve locaties zijn, leidt niet noodzakelijk tot de conclusie dat er geen onteigeningsnoodzaak kan bestaan.

8. De onteigenende overheid moet wel afdoende motiveren waarom er een noodzaak tot onteigening aanwezig is. De Raad merkt in dat opzicht op dat het zijn beoordeling omtrent de onteigeningsnoodzaak niet in de plaats mag stellen van het oordeel van de onteigenende overheid. Het kan slechts nagaan of de overheid de onteigeningsnoodzaak niet kennelijk onredelijk heeft beoordeeld. Volgens de Raad toont de heer Sterck niet aan dat de beoordeling van de noodzaak van de onteigening op kennelijk onredelijke wijze is gebeurd, waardoor de Raad het middel verwerpt.

9. In het tweede middel voert de heer Sterck de schending van artikelen 15 en 16 van het Onteigeningsdecreet aan, omdat de provincieraad hem geen schriftelijk bod zou hebben gedaan. Het laatste bod dat hij heeft ontvangen zou gedateerd zijn en zou niet kunnen worden aanzien als een onderhandeling en een schriftelijk bod in de zin van de artikelen 15 en 16 van het Onteigeningsdecreet. De provincieraad kon blijkbaar echter aantonen dat zij op 10 juli 2019 via een aangetekende brief een uitnodiging heeft verstuurd met het oog op het opstarten van onderhandelingen met het oog op een minnelijke verwerving. Er werd in deze brief verwezen naar de eerder gevoerde correspondentie, maar er werd ook aangegeven dat het om een nieuw formeel verzoek tot onderhandelingen gaat. Aangezien de heer Sterck hierop geen repliek heeft gegeven, besluit de Raad dat het middel feitelijke grondslag mist. Bij gebrek aan andere middelen die tot de vernietiging zouden kunnen leiden, heeft de RvVb het beroep tot vernietiging vervolgens verworpen.

10. In dit eerste inhoudelijk arrest van de RvVb zijn er weinig verrassingen te melden. Het ligt voor de hand dat de Raad zich beperkt tot het controleren van de beoordeling door de onteigenende overheid op haar wettigheid en dat het zijn oordeel niet in de plaats van het oordeel van deze overheid kan stellen. Als de verzoekende partij vervolgens niet aannemelijk kan maken dat de beoordeling van de onteigenende overheid kennelijk onredelijk was, hoeft het niet te verbazen dat de Raad een dergelijk middel afwijst. Ook wat betreft het tweede middel zijn ons inziens niet meteen verrassingen te meden.

11. De relevantie van dit arrest is dus vooral terug te brengen tot het feit dat het de aftrap heeft gegeven van het inhoudelijk toezicht van de RvVb onder het Onteigeningsdecreet. Hiermee is het startschot gegeven van de ontwikkeling van een eigen rechtspraak van de RvVb met betrekking tot onteigeningen. De vraag is nu wanneer de Raad nog eens een kans krijgt om een volgende stap te zetten.

***

[1] Hierna: “RvVb” of “Raad”.

[2] Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, BS 25 april 2017, 53296. Hierna: “Onteigeningsdecreet” of “Decreet”.

[3] Art. 38, 1° BvR 27 oktober 2017 tot uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, BS 12 januari 2018, 1514.

[4] Art. 43 Onteigeningsdecreet.

[5] RvVb 3 maart 2020, nr. RvVb-A-1920-0620.

[6] Art. 122 Onteigeningsdecreet.

[7] A. VANERMEN, “De vrederechter blijft het in het onteigeningscontentieux halen van de bestuursrechter”, STORM 2020, nr. 1, 2.

[8] Art. 28-30 Onteigeningsdecreet.

[9] Art. 46, §1, lid 1 Onteigeningsdecreet.

[10] Art. 50, §1, lid 1 Onteigeningsdecreet.

[11] Art. 52, §1, lid 1 Onteigeningsdecreet.

[12] Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 991/1, p. 73; RvS 4 juni 2013, nr. 223.722, nb JBA Neerpelt, overw. 11.

[13] Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 991/1, p. 74; RvS 18 november 2011, nr. 216.332, bvba Landexplo Zele e.a., overw. 5; RvS 4 juni 2013, nr. 223.722, nb JBA Neerpelt, overw. 11.

[14] Bv. RvVb 23 juli 2019, nr. RvVb-A-1819-1251, 9; RvVb 23 juli 2019, nr. RvVb-A-1819-1252, 8; A. VANERMEN, “De vrederechter blijft het in het onteigeningscontentieux halen van de bestuursrechter”, STORM 2020, nr. 1, 2.

[15] Ibid.

2020-08-12T09:19:35+00:00 12 augustus 2020|Categories: Milieu- en stedenbouwrecht|Tags: , , |