>, Energierecht, Publiek recht>Onderbenutting van het zonne-energiepotentieel van appartementsdaken: ‘energiedelen’ uit de schaduw (Stibbe)

Onderbenutting van het zonne-energiepotentieel van appartementsdaken: ‘energiedelen’ uit de schaduw (Stibbe)

Auteur: Pieterjan Claeys (Stibbe)

Publicatiedatum: 29/08/2019

In sterk verstedelijkte gebieden is er vaak heel wat minder hernieuwbare energieproductie (cf. De Tijd 29 november 2018). Er is weinig of geen ruimte voor (grootschalige) windturbines. Er wordt dus voornamelijk gekeken in de richting van zonne-energie. Het valt echter op dat appartementsgebouwen slechts zelden beschikken over een fotovoltaïsche installatie. Wat zijn de redenen hiervoor en hoe kan hieraan worden verholpen?

Zonnepanelen op appartementsdaken via directe lijn

Wanneer zonnepanelen op een dak van een woning elektriciteit opwekken, die vervolgens binnen diezelfde woning wordt geconsumeerd, wordt dit in Vlaanderen gekwalificeerd als een ‘directe lijn’, zijnde “een elektriciteitslijn met een nominale spanning die gelijk is aan of minder is dan 70 kilovolt, die een productie-installatie met een afnemer verbindt” (art. 1.1.3, 26° Energiedecreet).

Het gaat hierbij meer bepaald om een directe lijn op ‘eigen site’ die per definitie toegelaten is, maar die sinds 1 januari 2019 wel onderhevig is aan een meldingsplicht ten aanzien van de bevoegde netbeheerder (zie ons eerder blogbericht).

Ook een appartementsgebouw is in de regel gelegen op één kadastraal planperceel. Hoewel dit kadastraal planperceel nog verder wordt opgedeeld in kadastrale patrimoniale percelen voor elke wooneenheid (met elk een eigen partitienummer), betreft het hier dus eveneens een ‘eigen site’ in de zin van art. 1.1.3, 30°/1 Energiedecreet.

Technische beperkingen

Niettegenstaande het feit dat een appartementsgebouw een ‘eigen site’ betreft, staan technische eisen eraan in de weg dat een productie-installatie via directe lijn(en) levert aan de verschillende bewoners, voor zover deze elk over een eigen toegangspunt (EAN-nummer) tot het elektriciteitsdistributienet beschikken. Op die manier zouden immers via deze directe lijn(en) de elektrische binneninstallaties van de betrokken bewoners onderling worden verbonden, hetgeen om veiligheidsredenen (zie Mededeling VREG van 7 februari 2017, p. 21-22 e.v.) niet is toegelaten (art. III.5.1.3 Technisch Reglement Distributie Elektriciteit).

Sinds de inwerkingtreding van het decreet van 8 juli 2011 op 26 augustus 2011 dient iedere eigenaar van een individuele wooneenheid in een appartementsgebouw in principe ook daadwerkelijk over een eigen toegangspunt (EAN-nummer) tot het elektriciteitsdistributienet te beschikken. De situatie waarbij een gebouw slechts over één toegangspunt beschikt en waarbij de elektriciteit dan wordt doorgeleverd aan de achterliggende wooneenheden door middel van een ‘privédistributienet’ werd immers voortaan principieel verboden (art. 4.7.1, §1 Energiedecreet), tenzij wanneer de distributie van elektriciteit een ‘inherent en ondergeschikt karakter heeft ten opzichte van het geheel van diensten die door de beheerder van het privédistributienet aan de achterliggende afnemer worden geleverd’. Die uitzondering doelt o.a. op studentenkoten, vakantieparken, rusthuizen etc., maar wordt niet verondersteld appartementen te omvatten (Mededeling VREG van 7 februari 2017, p. 23). De rechten van bewoners van appartementsgebouwen als ‘(huishoudelijke) afnemer’ dienen dan ook te allen tijde te worden gevrijwaard (bv. vrije leverancierskeuze, sociale bescherming t.a.v. leveranciers bij wanbetaling…).

Hoe ontkomen aan het verbod op onderlinge koppeling?

Een eerste manier om aan het verbod op onderlinge koppeling onderuit te komen, is het bekomen van toestemming van de netbeheerder (art. III.5.1.3 Technisch Reglement Distributie Elektriciteit). De netbeheerder zal dit evenwel enkel doen indien garanties worden geboden dat alle veiligheidsrisico’s voldoende werden gedekt. De VREG laat in die zin zelf een opening in haar mededeling van 7 februari 2017 ingeval gewerkt wordt met wisselkoppelingen (zie Mededeling VREG van 7 februari 2017, p. 34 e.v.). Dit is in de praktijk tot nog toe echter een weinig haalbare oplossing gebleken.

Een andere mogelijkheid is gewoonweg vermijden dat er een onderlinge koppeling plaatsvindt. Een eerste uitweg in die zin betreft het enkel aansluiten van de zonnepanelen op de gemeenschappelijke teller van het appartementsgebouw, dus louter ten behoeve van het collectieve verbruik (bv. liften, verlichting op gang etc.). Dit heeft wel tot gevolg dat een significant deel van de productie niet zal kunnen worden geconsumeerd binnen het gebouw zelf en dus zal worden geïnjecteerd op het publieke net, hetgeen de investering financieel minder interessant maakt. Een tweede uitweg bestaat erin dat dat de fotovoltaïsche installatie wordt opgedeeld, zodat elke wooneenheid als het ware eigen zonnepanelen heeft (met eigen omvormer) die exclusief gekoppeld zijn aan de eigen individuele teller. Deze oplossing brengt echter héél wat extra kosten met zich mee.

‘Energiedelen’ als toekomstmuziek

Als derde oplossing staat ‘energiedelen’ voor. Dit zou het mogelijk maken om de elektriciteit, opgewekt door de zonnepanelen op het dak van een appartementsgebouw, louter virtueel toe te wijzen aan de verschillende wooneenheden (en niet langer fysiek via directe lijn(en)). Daarbij volstaat het dat de zonnepanelen rechtstreeks worden verbonden met de gemeenschappelijke aansluiting van het appartementsgebouw op het elektriciteitsdistributienet. Hierdoor zouden de voordelen alsnog kunnen worden verdeeld onder de bewoners zonder dat het verbod op onderlinge koppeling van afnemers toepassing vindt.

De nieuwe Hernieuwbare Energierichtlijn (EU) 2018/2001 (art. 21(4)) verplicht de lidstaten in ieder geval om energiedelen of ‘collectieve zelfconsumptie’ mogelijk te maken: “De lidstaten zorgen ervoor dat zelfverbruikers van hernieuwbare energie die in hetzelfde gebouw gevestigd zijn, met inbegrip van appartementsgebouwen, […] een regeling mogen treffen voor het onderling delen van hernieuwbare energie die wordt geproduceerd op hun locatie of locaties”. Bewoners van appartementen zouden daarbij kwalificeren als ‘gezamenlijk optredende zelfverbruikers van hernieuwbare energie’ in de zin van art. 2, 15) Hernieuwbare Energierichtlijn (EU) 2018/2001, met name “een groep van ten minste twee gezamenlijk optredende zelfverbruikers van hernieuwbare energie, overeenkomstig punt 14, die zijn gevestigd in hetzelfde gebouw of appartementsgebouw”.

De lidstaten krijgen tijd tot 30 juni 2021 om de Hernieuwbare Energierichtlijn om te zetten in intern recht (art. 36(1) Hernieuwbare Energierichtlijn (EU) 2018/2001).

In het Vlaams Parlement werd reeds eind 2018 een conceptnota voor nieuwe regelgeving “betreffende het delen van energie binnen een gebouweenheid” ingediend. In de conceptnota wordt voorgesteld om te werken met een geregistreerd partnerschap tussen de verschillende eigenaars en de vereniging van mede-eigenaars dat vastlegt wie deelneemt en hoe de uitwisseling van elektriciteit moet worden verrekend “volgens het aandeel in de investering of proportioneel per eenheid” en “rekening houden[d] met het momentaan verbruik”. Naar verluidt zou het wel nog wachten zijn op het nieuwe MIG 6-datamodel voor de energiemarkt (gekoppeld aan de nieuwe digitale meters) om een dergelijke regeling mogelijk te maken.

Mogelijk kan de Vlaamse decreetgever inspiratie opdoen in Frankrijk, dat al in 2017 een regeling voor collectieve zelfconsumptie heeft uitgewerkt (zie art. L315-2 e.v. van de Code de l’Énergie).

Ook het Waalse Gewest voorzag reeds in een oplossing die energiedelen in appartementsgebouwen mogelijk moet maken, dit in het kader van de zogenaamde ‘hernieuwbare energiegemeenschappen’ in de zin van art. 22 Hernieuwbare Energierichtlijn (EU) 2018/2001 (zie het vooralsnog niet gepubliceerde Decreet van 30 april 2019 en bijhorend persbericht). De figuur van de ‘hernieuwbare energiegemeenschap’ (zie ons eerder blogbericht) kan inderdaad eveneens een oplossing bieden, maar het moet gezegd dat in deze appartementscontext het louter organiseren van collectieve zelfconsumptie in de zin van art. 21 Hernieuwbare Energierichtlijn (EU) 2018/2001 (tijds- en kosten-)efficiënter lijkt dan het opzetten van een ‘hernieuwbare energiegemeenschap’.

Lees hier het originele artikel

2019-09-07T12:54:13+00:00 7 september 2019|Categories: Bouwrecht - Energierecht - Publiek recht|