>>>Grondwettelijk Hof fluit de terugdraaiende teller terug (Blixt)

Grondwettelijk Hof fluit de terugdraaiende teller terug (Blixt)

Auteur: Julie Vanhoenacker (Blixt)

Publicatiedatum: 15/01/2021

In zijn arrest van 14 januari 2021 vernietigde het Grondwettelijk Hof het regime van de “virtuele terugdraaiende teller”. Dit gaf prosumenten die een kleine productie-installatie hebben geïnstalleerd t.e.m. 31 december 2020, de mogelijkheid om nog gedurende 15 jaar vanaf de indienstneming te genieten van het compensatiemechanisme, waarbij hun bruto van het net afgenomen elektriciteit jaarlijks wordt verminderd met de door hen geproduceerde en op het distributienet geïnjecteerde elektriciteit.

Even recapituleren: digitale meters en (virtueel) terugdraaiende tellers

Het Vlaams decreet van 26 april 2019 voegde aan het Energiedecreet allerlei bepalingen toe m.b.t. de uitrol en het beheer van de digitale meters en de daaruit voortvloeiende data. Een digitale meter is een elektronische meter die het verbruik en de injectie van energie apart meet. Een digitale meter is ook “slim” omdat hij niet alleen lokaal, maar ook vanop afstand (bv. door de netbeheerder) kan worden uitgelezen.

Tegen eind 2024 wil de Vlaamse Regering 80 procent van de analoge meters (Ferrarismeters) vervangen door digitale meters. De digitale meter wordt prioritair geplaatst bij bepaalde categorieën netgebruikers, bijvoorbeeld bij bestaande prosumenten, netgebruikers die een nieuwe kleine productie-installatie plaatsen (met een maximaal AC-vermogen van 10 kVA, zoals zonnepanelen) of bij een nieuwbouw.

De oude analoge meters kunnen verbruik (elektriciteit die van het distributienet wordt afgenomen) en injectie (elektriciteit die op het distributienet wordt geplaatst) niet apart registreren. Wanneer prosumenten met zo’n meter elektriciteit op het net injecteren, draait deze meter terug. Dit heeft uiteraard een impact op hun elektriciteitsfactuur. Ten eerste betalen ze minder voor hun elektriciteit zelf (de “commodity”), omdat al hun geïnjecteerde elektriciteit aan dezelfde prijs per kWh wordt verrekend met de elektriciteit die ze bruto van het net afnemen. Hun elektriciteitskost wordt dus berekend op hun nettoverbruik. Ten tweede betalen ze ook minder voor alle andere elementen van de elektriciteitsfactuur die op basis van het verbruik (of een verbruiksschijf) worden berekend, zoals de nettarieven (voor transmissie en distributie), allerlei heffingen (zoals de federale bijdrage en de bijdrage Energiefonds), lasten (quota voor groenestroom- en warmtekrachtcertificaten) en de BTW (op de totale factuur). Prosumenten met een terugdraaiende teller betalen sinds 2015 wel een prosumententarief, dat forfaitair wordt berekend op basis van het maximale AC-vermogen van hun productie-installatie.

Omdat de Vlaamse overheid de impact op de rendabiliteit van – hoofdzakelijk – kleine PV-installaties wou beperken (nadat ze al veel eerder de subsidiëring via de groenestroomcertificaten had afgeschaft), voorzag ze een overgangsregeling. Prosumenten die ten laatste op 31 december 2020 een kleine productie-installatie plaatsten, konden gedurende 15 jaar vanaf de indienstneming van hun installatie genieten van het voordeel van de terugdraaiende teller, zelfs wanneer ze al over een digitale meter beschikken. In dat laatste geval draait deze digitale meter “virtueel” terug, doordat de geïnjecteerde elektriciteit en de van het van het net afgenomen elektriciteit met elkaar worden verrekend.

Reden van vernietiging: schending van de federale bevoegdheden

Het Grondwettelijk Hof heeft deze overgangsregeling van de “virtuele terugdraaiende teller” vernietigd op grond van argumenten van de federale Ministerraad en de CREG. Volgens het Hof vormen deze bepalingen van het decreet een inbreuk op de federale bevoegdheden inzake transmissienettarieven (art. 6, §1, VII, tweede lid, d) van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen) en de federale belastingbevoegdheid (art. 170, §1 van de Grondwet).

Verrassend is het oordeel van het Grondwettelijk Hof niet, nu de afdeling Wetgeving van de Raad van State al in zijn eerste advies over het ontwerpdecreet had opgemerkt dat de regeling problematisch was in het licht van de bevoegdheidsverdeling.

In aanloop naar dit arrest werd er in de media veel ruchtbaarheid gegeven aan de kritiek die de VREG had op het decreet, o.a. over de vermeende inbreuk op zijn exclusieve bevoegdheden met betrekking tot de distributienettarieven. De kritiek van de VREG op de compensatieregeling werd echter niet behandeld door het Hof, omdat deze niet tot een ruimere vernietiging kon leiden.

Om administratieve en financiële perikelen voor prosumenten, leveranciers en distributienetbeheerders te beperken, handhaafde het Grondwettelijk Hof wel de gevolgen van de vernietigde compensatieregeling voor het verleden. De bedragen die tot de datum van de publicatie van het arrest in Staatsblad werden gefactureerd, moeten niet worden rechtgezet.

Gevolgen voor prosumenten

Voor prosumenten die een kleine productie-installatie plaatsten t.e.m. 31 december 2020 en die al over een digitale meter beschikken, geldt binnenkort het volgende:

  • Hun bruto verbruik en hun injectie van elektriciteit wordt niet meer gecompenseerd. Ze zullen de “commodity” prijs betalen voor hun bruto verbruik en ze kunnen met hun leverancier (of een andere leverancier of aggregator) een teruglevercontract sluiten. Dan ontvangen ze een vergoeding voor de elektriciteit die ze op het net injecteren. Deze vergoeding zal naar alle waarschijnlijkheid een pak minder voordelig zijn dan de compensatieregeling, omdat veel prosumenten injecteren op momenten dat er een overaanbod is aan elektriciteit (bv. op warme, zonnige dagen) en dat de elektriciteitsprijzen laag – of zelfs negatief – zijn.
  • Ze zullen geen prosumententarief meer moeten betalen.
  • Hun nettarieven (voor transmissie en distributie), heffingen (federale bijdrage, bijdrage Energiefonds) en lasten (quota voor GSC en WKC) zullen worden berekend op basis van hun bruto verbruik. De BTW wordt berekend op de volledige elektriciteitsfactuur en stijgt dus ook. Voor de distributienettarieven treedt vanaf 2022 ook het capaciteitstarief in werking.

Prosumenten die nog over een fysiek terugdraaiende teller beschikken, ontspringen voorlopig de dans. Vanaf de vervanging van hun analoge meter door een digitale meter zijn de gevolgen van het arrest ook voor deze prosumenten voelbaar.

De prosumenten die met de gevolgen van het arrest worden geconfronteerd, doen er goed aan om hun periodieke voorschotten te laten verhogen door hun elektriciteitsleverancier. Het bedrag van de periodieke voorschotfacturen wordt meestal berekend op basis van het historische verbruik van het voorbije jaar of de afgelopen drie jaren. Vanaf dit jaar zal het gefactureerde elektriciteitsverbruik bij prosumenten die niet massaal inzetten op momentaan zelfverbruik, significant hoger liggen. Om niet te worden geconfronteerd met al te hoge jaarafrekeningen, kunnen de voorschotbedragen best worden opgetrokken.

Voor prosumenten die hun kleine productie-installatie hebben geplaatst of plaatsen vanaf 1 januari 2021, verandert er niets. Zij konden sowieso al niet genieten van het voordeel van de “virtueel terugdraaiende teller”. In tegenstelling tot prosumenten die al eerder hun installatie plaatsten, kunnen zij wel een eenmalige premie krijgen als bepaalde voorwaarden vervuld zijn (bv. geen nieuwbouw).

Gevolgen voor leveranciers

Het arrest van het Grondwettelijk Hof heeft ook gevolgen voor leveranciers. Vanaf de publicatie van het arrest in het Staatsblad, zullen zij het bruto verbruik en de injectie van de prosument niet meer mogen verrekenen op de elektriciteitsfactuur. Sowieso moeten elektriciteitsleveranciers vanaf 1 januari 2021 een terugleveringscontract aanbieden aan prosumenten, waarbij ze hen vergoeden voor de geïnjecteerde elektriciteit. Prosumenten die vóór 2021 nog een productie-installatie plaatsten, hadden tot nu toe weinig incentive om voor een terugleveringscontract te kiezen, omdat ze beter af waren met de compensatieregeling van de virtuele terugdraaiende teller. Nu hebben ze geen andere keuze meer. Leveranciers moeten er rekening mee houden dat prosumenten meer zullen gaan vergelijken wie hen de beste vergoeding kan bieden voor hun geïnjecteerde elektriciteit, apart of in combinatie met hun afname. Volgens de V-test van de VREG zijn er momenteel echter nog geen leveranciers die prosumenten de mogelijkheid bieden om enkel een terugleveringscontract (zonder afname) af te sluiten.

Leveranciers doen er ook goed aan om prosumenten erop te wijzen dat hun gefactureerde elektriciteitsverbruik zal stijgen door het wegvallen van de terugdraaiende teller en hen te stimuleren om hun voorschotten te verhogen.

Een laatste aandachtspunt is dat het wanbetalersrisico voor leveranciers kan stijgen. Doordat de teller niet meer virtueel terugdraait, groeit het aandeel van de andere elementen van de elektriciteitsfactuur die op basis van het verbruik worden berekend en waarbij de leverancier enkel als “doorgeefluik” optreedt (zoals de nettarieven en heffingen). Dit is een oud zeer dat in de vorige blogpost ook al werd aangekaart.

Lees hier het originele artikel

2021-01-18T08:46:40+00:00 18 januari 2021|Categories: Energierecht|Tags: , |