>>, Overheidsopdrachten>Blijft de wind in de zeilen: tendering van Belgische offshore windmolenparken (Schoups)

Blijft de wind in de zeilen: tendering van Belgische offshore windmolenparken (Schoups)

Auteur: Jan De Leyn (Schoups) 

Publicatiedatum: 09/01/2020

De windmolenparken voor de Belgische kust hebben een boerenjaar achter de rug. Ze hebben in 2019 37% meer energie opgewekt dan het jaar daarvoor (bronnen: Belgian offshore platform en De Standaard ).

Deze offshore windmolenparken vallen onder de bevoegdheid van de federale overheid. De vorige federale regering heeft de ambitieuze doelstelling vooropgesteld van een volledige kernuitstap tegen 2025 en dit onder meer d.m.v. de verdubbeling van het aantal bijkomende windmolenparken op de Noordzee.

Traditioneel werden windmolenparken opgezet via een systeem van subsidies (incl. “first come, first served” principe). Een recente wetwijziging van de Elektriciteitswet bracht hier verandering in. De bouw van nieuwe offshore windmolenparken zal voortaan gebeuren via “tendering”, d.w.z. het uitspelen van ondernemingen tegen elkaar met de gunning van een domeinconcessie tot gevolg. Met dit systeem van concurrentie tussen investeerders en projectontwikkelaars wil men komen tot een aanzienlijke vermindering van de kosten voor de bouw van de offshore windmolenparken, het vermijden van oversubsidiëring en het dienen van het belang van de consument (m.n. betaalbare en concurrentiële energieprijzen).

Alhoewel zo’n tenderproces grote gelijkenissen zal vertonen met de toekenning van opdrachten onder de overheidsopdrachtenwet of concessiewet (principes van transparantie, mededinging en gelijke behandeling), werd het aan de Koning overgelaten om deze concurrerende inschrijvingsprocedure vorm te geven. Dit is nog niet gebeurd, aangezien op het moment van het schrijven van dit nieuwsbericht nog geen nieuwe federale regering is samengesteld.

Desalniettemin kan uit de voorbereidende discussies over dit topic (o.a. de principenota ‘tendering offshore windmolenparken vanaf 2020’ en het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet ) worden afgeleid dat Nederlandse, Britse en Duitse voorbeelden gelden als inspiratiebron voor het werk dat de nieuwe federale regering te wachten staat:

Een tender tegen (minimale) subsidie of geen subsidie (zogenaamde “zero bid”) cf. het Nederlandse model.

Met een “zero bid” zal de kandidaat-inschrijver de offshore elektriciteitsproductie-installatie bouwen zonder enige subsidie in tegenstelling tot een concurrerende inschrijvingsprocedure waarbij wel een subsidie kan worden toegekend. Bij deze laatste tenders wordt een deel van de kosten boven de marktprijs aangevuld door subsidies. Afhankelijk van de marktprijzen zal de overheid bijgevolg meer of minder subsidies moeten uitbetalen. Afhankelijk van de vooropgestelde gunningscriteria (enkel het prijscriterium of wordt tevens de kwaliteit van de inschrijvingen beoordeeld) zal de inschrijver die het minst afhankelijk is van subsidies de tender krijgen toegewezen.

Een tender met een vaste prijs (fixed prices) cf. het Brits model.

Deze opdrachten worden gekenmerkt door het vaststellen van een overeengekomen vaste prijs voorafgaand aan de aanvang van de werken. Alle kosten of winsten die deze vaste prijs te boven gaan, zijn voor rekening van de opdrachtnemer.

De opdrachtnemer draagt dus een groot risico terwijl de aanbesteder zekerheid heeft over haar begroting. Wanneer de elektriciteitsprijs uiteindelijk hoger ligt dan de vastgestelde prijs is dit in het voordeel van de federale overheid (en bijgevolg in principe van de consument). Het omgekeerde geldt dan logischerwijze ook.

Een veiling cf. Duits model.

Bij een veiling kunnen ondernemingen een vergoeding aanbieden om een windmolenpark op de Noordzee te mogen bouwen. Ondernemingen ontvangen dan uiteraard geen subsidies meer, maar betalen voor het recht om offshore windmolenparken te mogen bouwen en exploiteren.

Deze nieuwe procedure mag niet verward worden met de elektronische veiling zoals bepaald in art. 46 van de Wet overheidsopdrachten van 17 juni 2016.

Voorts identificeert de hoger vermelde principenota ‘tendering offshore windmolenparken vanaf 2020’ vier streefdoelen, nl.:

  • Capaciteit hernieuwbare windenergie;
  • Maximaal geleverde energie op het net (in GWh);
  • Minimale kosten voor de consument (direct en indirect);
  • Energienet ondersteunende diensten zoals balancering, stockage, …

Ook heeft de principenota aandacht voor de beperking van het risico van geïnteresseerde ondernemingen en de stimulans tot deelname aan de tenderprocedures, door o.a. te voorzien dat bepaalde voorstudies worden gefinancierd door de overheid i.p.v. door de ontwikkelaars, schaalvergroting van de kavels en de verantwoordelijkheid van Elia voor het transport van de opgewekte energie op zee naar het vaste land (Beleidsnota 17 oktober 2018).

Het doel is de bouw van de eerste windmolenparken, gegund op basis van een van de nieuwe gunningsprocedures, in 2026 om tegen 2030 de vooropgestelde productie van hernieuwbare energie op de Noordzee (4GW) te kunnen realiseren. Zoals gezegd, is de eerste belangrijke stap hiertoe de vorming van nieuwe federale regering die de nieuwe tenderprincipes dient uit te kristalliseren in koninklijke besluiten en ministeriële besluiten.

Wij houden u op de hoogte over de verdere evoluties.

Lees hier het originele artikel

2020-01-13T16:23:25+00:00 13 januari 2020|Categories: Energierecht - Overheidsopdrachten|Tags: , |