>, Verbintenissen- en zakenrecht>De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet? (Corporate Finance Lab)

De tegenwerpelijkheid van de inpandgeving van intellectuele eigendomsrechten: ik zie, ik zie wat jij niet ziet? (Corporate Finance Lab)

Auteur: Nils Wills (gastblogger Corporate Finance Lab)

Publicatiedatum: 23/10/2020

Op 1 januari 2018 trad na lang wachten de wet zakelijke zekerheden op roerende goederen (kortweg “de nieuwe pandwet”) in werking. Eén van de krachtlijnen hiervan is de afschaffing van de verplichte buitenbezitstelling van de in pand gegeven goederen. Vandaag vormt de buitenbezitstelling niet langer een totstandkomingsvereiste voor het vestigen van een pand. Zo werd de jarenlange onduidelijkheid over de inpandgeving van onlichamelijke goederen in één keer weggewerkt. Daarnaast werd tevens een nationaal pandregister in het leven geroepen waarin elke pandhouder zijn pandrecht kan registeren.

Dit laatste kan echter voor verwarring zorgen bij de geregistreerde intellectuele eigendomsrechten, gezien er voor hen reeds geruime tijd registers bestaan. Een pand (of enig ander zakelijk zekerheidsrecht) op deze rechten, dient krachtens de verschillende bepalingen op de intellectuele eigendomsrechten ook in deze registers ingeschreven te worden om de tegenwerpelijkheid te verzekeren.

De vraag rijst nu in hoeverre de algemene bepalingen van de nieuwe pandwet kunnen worden toegepast op intellectuele eigendomsrechten.

Tegenwerpelijkheid van de pandovereenkomst onder het nieuwe recht

De onduidelijkheid over de tegenwerpelijkheid vormt vooral een probleem in geval van samenloop. Wanneer meerdere pandhouders aanspraak maken op hetzelfde goed, wordt in  beginsel de anterioriteitsregel toegepast.[1] Hiervoor moet er een objectief ijkpunt zijn om de datum waarop het pand werd gevestigd voor elke houder op gelijke wijze vast te leggen.

De nieuwe pandwet tracht hierbij te helpen door een pandregister in te richten. In dit register kunnen pandhouders hun pand registreren. Kunnen, want de registratie is niet verplicht voor de geldigheid van de pandovereenkomst (art. 2), maar enkel voor de tegenwerpelijkheid aan derden wanneer er geen buitenbezitsstelling is (art. 15 j° art. 29). De buitenbezitsteling van lichamelijke goederen blijft immers een geldige vorm van publiciteit.

Naast de registratie in het pandregister bestaat ook de specifieke regelgeving voor de intellectuele eigendomsrechten, die elks voorzien in een eigen register met eigen registratieverplichtingen. Zo voorzien de regelgevingen voor octrooien[2] en die voor merken[3], tekeningen en modellen[4] elk in eigen registratieverplichtingen voor het vestigen van zakelijke zekerheden.

Interferentie tussen pandregisters en registers m.b.t. intellectuele eigendomsrechten

Het feit dat de nieuwe pandwet geen afbreuk doet aan bestaande specifieke bepalingen inzake pand op intellectuele eigendomsrechten brengt in grote mate rechtsonzekerheid mee. Voor de geregistreerde intellectuele eigendomsrechten bestaan er immers telkens twee mogelijkheden: een registratie in het pandregister of in één van de specifieke registers.[5]  De vraag stelt zich welk register doorslaggevend is voor de tegenwerpelijkheid van het pandrecht.

Een eerste oplossing is om het pandrecht zowel te registreren in het pandregister als in het register voor het intellectueel eigendomsrecht. Een dubbele registratie verzekert dat aan alle regelgeving is voldaan.[6] Een dubbele registratie (en de daarbij horende kosten) kan mogelijk wel een struikelblok vormen voor sommige pandhouders.

Een bijkomend probleem is dat intellectuele eigendomsrechten deel uit kunnen maken van een universaliteit (bv. handelszaak) waarop een pand gevestigd wordt. Ook hier rijst hetzelfde probleem: in welk register dienen we te registreren? Onder toepassing van het oude recht, oordeelde de ondernemingsrechtbank te Kortrijk dat wanneer de pandhouder voldaan heeft aan de publiciteitsvereisten bepaald in de Wet Handelspand, de registratie uit het Benelux-verdrag overbodig wordt.[7] Of we onder de nieuwe regelgeving de lijn kunnen doortrekken is onduidelijk.

Dat vonnis lijkt dus een ander pad te bewandelen. Dit leidt tot een tweede, ietwat gecompliceerde, oplossing: de keuze van het register staat vrij, maar houdt een risico in voor de pandhouder. De rechtbank kijkt naar de kwalificatie van het onderhevige rechtsprobleem om te bepalen welke rechtsregels worden nageleefd.

Ontstaat er een geschil over de geldigheid en tegenwerpelijkheid van zakelijke rechten in het kader van een insolventieprocedure, primeert de registratie in het pandregister. Wanneer er echter een geschil ontstaat omrent het intellectueel eigendomsrecht zelf, primeert het register van het intellectueel eigendomsrecht. Een onderneming die haar pandrecht slechts heeft geregistreerd in het merkenregister kan deze dan niet tegenwerpen aan een onderneming met een concurrerend pandrecht die wél geregistreerd staat in het pandregister in geval van samenloop.

Op basis van het lex specialis-beginsel kan een derde oplossing naar voren worden geschoven. De nieuwe Pandwet doet immers geen afbreuk aan bestaande specifieke bepalingen op intellectuele eigendomsrechten. Het lijkt dan ook terecht om te stellen dat een registratie in het specifieke register van het intellectuele eigendomsrecht zelf volstaat. Deze opvatting wordt ook door bepaalde auteurs gevolgd, althans wat betreft de bepalingen van het BVIE.[8]  Maar dit doet mogelijks afbreuk aan het loutere bestaan pandregister, dat net een knooppunt wil zijn waar alle registerpandrechten kunnen worden geraadpleegd. Daarnaast maakt het bestaan van verschillende registers voor verschillende soorten roerende goederen het geheel wederom onoverzichtelijk.

Ideaal zijn deze oplossingen natuurlijk niet, maar maken wel pijnlijk duidelijk dat er nood is aan rechtszekerheid over welke registratie doorslaggevend is voor de tegenwerpelijkheid van het pandrecht. Primeert het pandregister, volstaat de registratie in eender welk register of opteren we voor de dubbele registratie?

Besluit

Met de nieuwe pandwet heeft de Belgische wetgever eindelijk komaf gemaakt met de verplichte buitenbezitstelling. Dit opent, samen met het pandregister, de deur voor een eenvoudigere inpandgeving van onlichamelijke goederen. Registratie is een must voor eenieder die zijn pandrecht tegenwerpelijk wilt stellen, maar niet kan overgaan tot een buitenbezitstelling.

Voor de intellectuele eigendomsrechten is de afschaffing van de buitenbezitstelling meer dan welkom. Er heerst echter onduidelijkheid over de tegenwerpelijkheid van pandrechten die op intellectuele eigendom rusten. De verschillende wetgevingen omtrent intellectuele eigendomsrechten voorzien reeds in een registratieplicht. Deze bestaan echter naast het pas in het leven geroepen pandregister. Welk register de voorkeur geniet, is niet bepaald.

Er kunnen verschillende oplossingen worden bedacht, de ene al wat creatiever dan de andere. Voorts is het wachten op voldoende duidelijkheid in de rechtspraak.

***

Deze  post  kwam tot stand aan de Universiteit Antwerpen, in het kader van het opleidingsonderdeel “Grondige studie insolventierecht met inbegrip van zekerheden” (Prof. Dr. Stijn De Dier).

***

[1] Art. 57 Nieuwe Pandwet.

[2] Art. XI.50 WER j° XI.52, §2 WER

[3] Art. 2.32bis BVIE voor het Benelux-merk en art. 22.2 Merkenverordening voor het Uniemerk.

[4] Art. 3.27 BVIE voor het Benelux-model en art. 29.2 Modellenverordening voor het Uniemodel.

[5] J. Malekzadem, “Zekerheidsrechten op intellectuele eigendomsrechten na de Pandwet” in M. E. STORME (ed.), Roerende zekerheden na de Pandwet, Antwerpen, Intersentia, 2017, 333.

[6] E. Dirix, “Pandrechten” in H. Braeckmans, F. De Tandt, E. Dirix, E. Van Camp en T. Lysens (eds.), Faillissement & Reorganisatie, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, 2019, losbl.

[7] Kh. Kortrijk 5 januari 2011, RW 2011-12, afl. 5, 284.

[8] M.-C. Janssens, Handboek merkenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 252.

Lees hier het originele artikel