>>>Verplichting voor vennootschappen om hun uiteindelijke begunstigden te identificeren (Eubelius)

Verplichting voor vennootschappen om hun uiteindelijke begunstigden te identificeren (Eubelius)

Auteurs: Marie Waucquez en Herbert Casier (Eubelius)

Publicatiedatum: 15/03/2018

De wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten heeft in het Wetboek van vennootschappen de nieuwe artikelen 14/1 en 14/2 ingevoerd. Op grond van die nieuwe bepalingen zijn vennootschappen ertoe gehouden toereikende, accurate en actuele informatie over hun “uiteindelijke begunstigden” in te winnen en bij te houden, met inbegrip van gegevens over de door de uiteindelijke begunstigden gehouden economische belangen.

Nieuwe anti-witwaswet en het UBO-register

De wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (BS 6 oktober 2017) zorgde voor de omzetting van de vierde anti-witwasrichtlijn (Richtlijn 2015/849) in Belgisch recht. Deze richtlijn verplicht de Lidstaten om een centraal register aan te leggen waarin gegevens worden opgenomen over vennootschappen en andere juridische entiteiten en hun achterliggende natuurlijke personen, het zogenaamde “UBO-register” (art. 73-75 van de wet van 18 september 2017; zie eveneens Eubelius Spotlights juni 2017. Het Koninklijk Besluit waardoor het UBO-register effectief wordt opgericht is echter nog steeds in voorontwerp en zal wellicht voor het einde van de lente 2018 worden gepubliceerd.

Nieuwe verplichting

Opdat de nodige informatie in het UBO-register zou kunnen worden opgenomen, legt het nieuwe artikel 14/1 W.Venn. aan vennootschappen de verplichting op om toereikende, accurate en actuele informatie in te winnen en bij te houden over hun uiteindelijke begunstigden en de door hen gehouden economische belangen. De leden van het bestuursorgaan van de vennootschap moeten in het kader van hun residuaire bevoegdheid minstens de volgende informatie verzamelen: de naam, de geboortedatum, de nationaliteit en het adres van de uiteindelijke begunstigde en de aard en omvang van het door de uiteindelijke begunstigde gehouden economisch belang (art. 14/1, tweede lid W.Venn.).

Deze gegevens moeten vervolgens binnen de maand vanaf het tijdstip waarop de informatie betreffende de uiteindelijke begunstigde gekend of gewijzigd is, via elektronische weg worden overgemaakt aan het Register (art. 14/1, derde lid W.Venn.). Deze verplichting kan echter pas volledig uitwerking vinden wanneer het Koninklijk Besluit tot oprichting van het UBO-register in werking zal zin getreden. Daarnaast moeten de genoemde gegevens ook worden verstrekt aan de entiteiten die onderworpen zijn aan de verplichtingen uit de wet van 18 september 2017 “wanneer deze entiteiten cliëntonderzoeksmaatregelen toepassen” (artikel 14/1, vierde lid W.Venn.).

Toepassingsgebied

Het nieuwe artikel 14/1 is ingevoerd in Boek I – Inleidende bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en is bijgevolg van toepassing op alle vennootschappen naar Belgisch recht, ongeacht hun vorm.

Begrip “uiteindelijke begunstigde”

De wet van 18 september 2017 definieert de uiteindelijke begunstigde algemeen als “de natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over de cliënt of de lasthebber van de cliënt en/of de natuurlijke persoon voor wiens rekening een verrichting wordt uitgevoerd of een zakelijke relatie wordt aangegaan” (art. 4, eerste lid, 27° wet van 18 september 2017).

Specifiek voor de vennootschappen, worden volgende personen bedoeld (art. 4, eerste lid, 27°, a) van de wet van 18 september 2017):

  1. de natuurlijke personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang in de vennootschap houden. Daarbij geldt een belang van meer dan 25% van de stemrechten, van de aandelen of van het kapitaal van de vennootschap, rechtstreeks of onrechtstreeks aangehouden, alleen of samen met anderen, als indicatie van een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang;
  2. de natuurlijke personen die via andere middelen zeggenschap hebben over de vennootschap; en
  3. de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel, indien na uitputting van alle mogelijke middelen geen van de personen als bedoeld onder (i) of (ii) is geïdentificeerd, of indien er enige twijfel bestaat of de geïdentificeerde persoon of personen de uiteindelijke begunstigde(n) is/zijn.

Commentaar

Ook onder de derde anti-witwasrichtlijn waren vennootschappen al verplicht informatie te verstrekken over hun uiteindelijke begunstigden, met name wanneer zij klant van een meldingsplichtige entiteit wilden worden. Deed een vennootschap dat niet, dan mochten die entiteiten geen zakelijke relatie met die vennootschap aangaan.

In de praktijk blijkt het voor de leden van het bestuursorgaan van een niet-beursgenoteerde vennootschap echter vaak moeilijk alle uiteindelijke begunstigden van de vennootschap te identificeren, aangezien dergelijke vennootschappen enkel de aandeelhouders of vennoten kennen die zijn geregistreerd in het register van effecten op naam. Aandeelhouders die rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 25% van de stemrechten verwerven in een niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap die aandelen aan toonder of gedematerialiseerde aandelen heeft uitgegeven, zijn wel verplicht de vennootschap daarvan in kennis te stellen (gewijzigd art. 515bisW.Venn).

Vennootschappen moeten voortaan dus actief de nodige gegevens over hun uiteindelijke begunstigden verzamelen en up-to-date houden, om die informatie te gepasten tijde over te kunnen maken aan het UBO-register.

Op 20 december 2017 hebben het Europees Parlement en de Raad overigens een politiek akkoord bereikt over het voorstel voor een vijfde anti-witwasrichtlijn, opgesteld in de nasleep van de aanslagen in Parijs en beïnvloed door de “Panama Papers”. In de tekst van het oorspronkelijk voorstel van de Europese Commissie werd er voorgesteld om de hogervermelde drempel van 25% voor een bepaalde categorie van entiteiten met specifieke risico’s inzake witwas en fiscale fraude terug te brengen naar 10%. In het op 20 december 2017 bereikte politiek akkoord vroegen de Raad en het Europees Parlement echter eerst aan de Commissie om in een aanvullend rapport de wenselijkheid om die drempel te verlagen verder te onderzoeken, rekening houdend met aanbevelingen van internationale organisaties met bijzondere competenties inzake het voorkomen van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme.

Mogelijke sanctie

Als de leden van het bestuursorgaan van een vennootschap niet voldoen aan de nieuwe verplichting inzake verzameling en overmaking van de UBO-gegevens, kunnen zij worden gestraft met een geldboete van 50 euro tot 5.000 euro (art. 14/2 W.Venn.). Voor de leden van het bestuursorgaan van elke Belgische vennootschap is het dan ook van belang nu al de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen en deze informatie te verzamelen, om die tijdig over te kunnen maken eenmaal het UBO-register in werking zal zijn getreden.

Lees hier het originele artikel

2018-03-20T14:06:46+00:00 20 maart 2018|Categories: Ondernemingsrecht - Vennootschapsrecht|Tags: , |