>, Vennootschapsrecht, Verbintenissen- en zakenrecht>Moet de echtgeno(o)t(e) van een verkoper van aandelen instemmen met de voorgenomen transactie? (M&A for professionals)

Moet de echtgeno(o)t(e) van een verkoper van aandelen instemmen met de voorgenomen transactie? (M&A for professionals)

Auteur: Matthias Jans (intui advocaten)

Publicatiedatum: 31/01/2020

Indien een verkoper van aandelen een natuurlijke persoon is en gehuwd is, rijst de vraag of hij/zij de overnameovereenkomst op eigen houtje kan onderhandelen en ondertekenen dan wel of zijn/haar echtgeno(o)t(e) moet kennisnemen van en instemmen met de voorgenomen transactie om tot een rechtsgeldige koop-verkoop van aandelen te komen.

Zowel in de hypothese dat het gaat om aandelen die volgens het huwelijksvermogensrecht tot het eigen vermogen van de verkoper behoren (bv. aandelen die met eigen middelen werden verworden door een verkoper of die werden verworven door erfenis of schenking) als in de hypothese dat het gaat om aandelen die tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten behoren (bv. aandelen die door een echtgenoot gehuwd onder het wettelijk stelsel met gemeenschappelijke middelen werden verworven en die niet vallen onder het uitzonderingsregime van art. 1401, °5 Burgerlijk Wetboek[1]), kan de verkoper de overnameovereenkomst principieel alleen onderhandelen en ondertekenen en bijgevolg de aandelen verkopen zonder medeweten en tussenkomst van zijn/haar echtgenoot.

Voor het eigen vermogen van een gehuwde geldt – logischerwijze – als uitgangspunt dat dit vermogen door hem/haar alleen wordt bestuurd en het dus enkel deze persoon is die over aandelen die tot zijn eigen vermogen behoren (of aandelen waarvan de lidmaatschapsrechten met toepassing van het uitzonderingsregime van art. 1401, °5 Burgerlijk Wetboek worden geacht eigen te zijn) kan beschikken. Voor het gemeenschappelijk vermogen van gehuwden heeft de wetgever in een zogenaamd “concurrentieel” bestuur voorzien, wat inhoudt dat elk van de gehuwden afzonderlijk het gemeenschappelijk vermogen kan besturen en de andere echtgenoot deze bestuurshandelingen moet respecteren. Elk van de gehuwden kan met andere woorden beschikken over de aandelen die tot het gemeenschappelijk huwvermogen behoren.

Toch zal een professioneel begeleide koper van aandelen meestal van een gehuwde verkoper verlangen dat zijn/haar echtgenoot uitdrukkelijk instemt met (de voorwaarden van) de voorgenomen transactie. Een voorzichtige koper zal dit doen om te vermijden dat de door de verkoper verstrekte verklaringen en waarborgen in de overnameovereenkomst (of het daaraan gekoppelde schadevergoedingsmechanisme en de verstrekte zekerheden) achteraf zouden kunnen worden nietig verklaard door de echtgenoot van de verkoper op grond van de bescherming die het zogenaamde primair huwelijksvermogensrecht aan gehuwden biedt. Opgelet, deze bescherming van het primair huwelijksvermogensrecht geldt ongeacht het stelsel waaronder de verkoper is gehuwd en dus ook in geval van scheiding van goederen.

Concreet viseert de koper met de instemming van de echtgenoot de uitschakeling van art. 224, §1, 4 Burgerlijk Wetboek dat aan een echtgenoot de mogelijkheid geeft om voor de familierechtbank de nietigverklaring te vorderen van “de persoonlijke zekerheden door een der echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen.” In principe speelt deze bescherming enkel maar indien het gaat om “persoonlijke zekerheden”, waarbij de betaling van een derde partij wordt gewaarborgd. De persoonlijke verbintenissen van de verkoper onder de overnameovereenkomst (met inbegrip van de eventuele vergoedingsverplichting voor inbreuken op de verklaringen en waarborgen die de verkoper heeft verstrekt) vallen niet binnen de scope van art. 224, §1, 4 Burgerlijk Wetboek en kunnen dan ook niet om die reden worden nietig verklaard. Enkel bijkomende zekerheden die de verkoper zou stellen en die de aansprakelijkheid of verbintenissen van derde partijen waarborgen (bv. hoofdelijkheid onder de verkopers voor de vergoedingsplicht, waardoor elke verkoper meer garandeert dan zijn eigen aandeel of bv. het verlenen van een borgstelling voor de betaling van schulden door de overgenomen vennootschap) komen in het vizier van art. 224, §1, 4 Burgerlijk Wetboek.

Voor alle duidelijkheid, het is niet omdat een verkoper bijkomende persoonlijke zekerheden zou stellen en dit zou doen zonder instemming van zijn/haar echtgenoot, dit per definitie tot de nietigheid van deze handelingen zou leiden. Dit laatste is enkel het geval indien de gestelde zekerheden de “belangen van het gezin” in gevaar zouden kunnen brengen, wat m.i. slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde zal zijn. Men moet steeds de transactie in zijn geheel bekijken en in het licht daarvan de afweging maken of de gestelde persoonlijke zekerheden disproportioneel zijn en de gezinsbelangen in het gevaar kunnen brengen.

Toch zullen de meeste M&A-adviseurs in de praktijk, zelfs indien het strikt genomen niet om bijkomende persoonlijke zekerheden gaat, de toestemming van de echtgenoot van de verkoper vragen, mede gelet op het feit dat er maar weinig casuïstiek uit de rechtspraak bekend is en het niet duidelijk is hoe strikt of ruim de hoven en rechtbanken deze bepaling interpreteren en toepassen.

Deze toestemming van de echtgenoot zal meestal worden verleend in een apart toestemmingsdocument, dat bij ondertekening van de overnameovereenkomst of op het moment van closing van de transactie door de verkoper aan de koper wordt afgegeven en waarin de echtgenoot van de verkoper verklaart op de hoogte te zijn van (de voorwaarden van) de transactie en bevestigt dat de transactie het belang van het gezin niet schaadt. Als alternatief kan de echtgenoot van de verkoper ook de overnameovereenkomst ter goedkeuring mee ondertekenen.

Tot slot, art. 224, §1, 4 Burgerlijk Wetboek beschermt enkel gehuwde personen en is niet toepasselijk op wettelijke of feitelijke samenwonenden. Voor verkopers die niet gehuwd zijn, maar wel wettelijk of feitelijk samenwonen, is het dan ook niet nodig om de toestemming van hun partner te bekomen.

Lees hier het originele artikel

[1] Volgens art. 1401, 5° Burgerlijk Wetboek zijn eigen “ongeacht het tijdstip van verkrijging (…) de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent”.