>>>Toepassingsgebied Arbeidsongevallenwet breidt uit tot alle personen met een leerwerkcontract (SoConsult)

Toepassingsgebied Arbeidsongevallenwet breidt uit tot alle personen met een leerwerkcontract (SoConsult)

Auteur: Ester Van Oostveldt (SoConsult)

Publicatiedatum: september 2019

Vanaf 1 januari 2020 is de Arbeidsongevallenwet van toepassing op alle personen met een zogenaamd ‘klein statuut’. Dit zijn de personen die arbeid verrichten in het kader van een opleiding tot betaalde arbeid. 

De wet die de Arbeidsongevallenwet in die zin uitbreidt, werd al begin dit jaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Vorige week werd evenwel een koninklijk besluit gepubliceerd dat de nieuwe regeling op een aantal punten uitvoert en de datum van inwerkingtreding ervan vastlegt op 1 januari 2020. 

In deze SoCompact schotelen we u drie vragen en drie antwoorden voor m.b.t. de nieuwe regeling voor ‘kleine statuten’. 

Welke personen worden door de uitbreiding beoogd? 

De Arbeidsongevallenwet is al sinds jaar en dag van toepassing op leerlingen die onder het toepassingsgebied van de RSZ-wet vallen (zie Sociaal Compendium Socialezekerheidsrecht 2018-2019nr. 1058). 

Maatschappelijke ontwikkelingen hebben evenwel aanleiding gegeven tot het ontstaan van allerlei nieuwe vormen van werkplekleren. 

Momenteel vallen de personen in die nieuwere vormen van werkplekleren niet onder het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet maar worden ze vaak (al dan niet verplicht) gedekt door een gemeenrechtelijke polis die een gelijkaardige schadeloosstelling voorziet als deze die is bepaald in de Arbeidsongevallenwet. 

Opdat alle personen met een leerwerkcontract op een uniforme manier beschermd zouden worden tegen arbeidsongevallen, breidt de wetgever het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet nu uit tot alle personen die arbeid verrichten in het kader van een opleiding tot betaalde arbeid. 

Op de website van Fedris is een niet limitatieve lijst gepubliceerd van de leerwerkcontracten die door deze uitbreiding worden beoogd. 

Welke implicaties heeft deze uitbreiding voor de onderneming waar de betrokken personen arbeid verrichten?

In principe wordt de onderneming waar de persoon in opleiding arbeidsprestaties verricht, aanzien als werkgever en is die onderneming dus verplicht de werkgeversverplichtingen t.a.v. die persoon in opleiding na te komen. Dit betekent o.a. dat die onderneming gehouden is tot:

  • het verrichten van de Dimona,
  • het afsluiten van een arbeidsongevallenverzekering die de personen in opleiding tegen de risico’s van arbeids(weg)ongevallen verzekert,
  • de aangifte van de arbeids(weg)ongevallen.

Het hieronder vermelde uitvoerend koninklijk besluit wijst evenwel voor bepaalde categorieën van personen in opleiding die aangifte- en verzekeringsplicht toe aan de instantie die de opleiding organiseert (VDAB, Forem, Syntra,…). In die gevallen wordt die instantie als “werkgever” beschouwd voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet.

De bovenvermelde lijst van Fedris geeft voor elk leerwerkcontract aan wie voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet als werkgever wordt beschouwd.

Welke bescherming genieten de personen die arbeid verrichten in het kader van een opleiding tot betaalde arbeid?

In principe genieten de personen in opleiding (bv. in een individuele beroepsopleiding in de onderneming (IBO Vlaanderen)) dezelfde bescherming als diegene die in de Arbeidsongevallenwet is opgenomen voor de leerlingen:

  • ook de ongevallen die zich voordoen in de school of opleidingsinstelling alsmede op de trajecten naar en van de school of opleidingsinstelling worden gedekt door de verzekering;
  • de kosten van geneeskundige verzorging worden terugbetaald overeenkomstig de Arbeidsongevallenwet;
  • het basisloon dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid is gelijk aan:
    • 12 x het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen;
    • of, voor minderjarigen, aan het minimumbedrag van het basisloon voor minderjarige werknemers, zolang de getroffene minderjarig is en de vorming geen einde neemt;
  • het basisloon voor de berekening van de vergoedingen, wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid of het overlijden van de getroffene, wordt vastgesteld op 18 x het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. 

In de bovenvermelde lijst van Fedris wordt deze bescherming aangeduid met de code “F1”.

Bepaalde personen in opleiding genieten evenwel een beperktere sociale bescherming (vb. personen in een Activeringsstage VDAB). Deze personen vallen onder de zogenaamde bijzondere regeling die door Fedris, in de lijst, wordt aangeduid met de code “F2”:

  • de verzekeringsdekking is beperkt tot de praktijkwerkzaamheden in de onderneming en de trajecten van en naar de onderneming;
  • de terugbetaling van de kosten van geneeskundige verzorging is beperkt tot het remgeld dat na tussenkomst van de ziekteverzekering ten laste van de getroffene blijft;
  • er is geen vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid verschuldigd;
  • het basisloon voor de berekening van de vergoedingen, wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid of het overlijden van de getroffene, wordt vastgesteld op 12 x het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.

Lees hier het originele artikel

2019-09-16T13:51:57+00:00 16 september 2019|Categories: Arbeidsrecht|Tags: , |