>>>Schijnzelfstandigheid : opdrachtgever uit de bouwsector vangt bot met Bulgaar die een paar aandelen in zijn onderneming heeft. Arbeidshof Brussel 25 april 2018 (KULeuven)

Schijnzelfstandigheid : opdrachtgever uit de bouwsector vangt bot met Bulgaar die een paar aandelen in zijn onderneming heeft. Arbeidshof Brussel 25 april 2018 (KULeuven)

Auteur: Instituut voor Arbeidsrecht KULeuven

Publicatiedatum: december 2018

In de recentste nieuwsbrief van het Instituut voor Arbeidsrecht van de KULeuven wordt het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 25 april 2018 becommentarieerd door mevr. Sarah De Groof.

Hieronder volgt haar bijdrage.

“In deze zaak moest het arbeidshof te Brussel beslissen of de heer K, die als zelfstandige voor een onderneming actief in de bouwsector, in werkelijkheid werknemer was. De heer K bezat vijf van de 186 aandelen van de onderneming en werd aangeduid als “associé actif” van de onderneming. Bijzonder aan deze zaak is het feit dat het om de bouwsector gaat (“uitoefening van werken in onroerende staat”). In deze sector werden de criteria van artikel 337/2 Arbeidsrelatiewet dat het vermoeden van werknemerschap doet ontstaan, vervangen door sectorspecifieke criteria (KB 7 juni 2013). Verschillende criteria zijn echter gelijkaardig aan de algemene criteria, zodat het arrest ook interessant is voor andere sectoren.

Het arbeidshof neemt bij de beoordeling van de negen specifieke criteria in overweging dat de heer K slechts vijf van de 186 aandelen bezat, een vaste vergoeding ontving, geen eigen logo bezat en er dus geen “onderneming K” bestond. Bovendien werkte hij enkel voor de opdrachtgever in kwestie en dat met materiaal dat eigendom was van de opdrachtgever. Het vermoeden bestaat bijgevolg volgens het arbeidshof dat de heer K werknemer was, een vermoeden dat door de opdrachtgever nog kan worden weerlegd met alle middelen van recht, onder meer met de in de Arbeidsrelatiewet bepaalde algemene criteria.

Maar daar slaagt zij volgens het arbeidshof niet in. Het feit dat hij het register van aandelen heeft ondertekend volstaat niet om te stellen dat hij als zelfstandige wou werken, te meer aangezien hem als Bulgaars onderdaan door de opdrachtgever (verkeerdelijk) was uitgelegd dat hij niet anders kon dan als zelfstandige werken. Doordat hij van de opdrachtgever afhing om zich naar de werven te verplaatsen, genoot hij ook geen vrijheid van organisatie van werktijd. De andere elementen die de opdrachtgever aanhaalt, zijn niet bewezen.

De opdrachtgever weerlegt het vermoeden dus niet, zodat het arbeidsrechtbank terecht had geoordeeld dat er achterstallige bijdragen als werknemer verschuldigd waren.”

Lees hier het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 25 april 2018

2019-01-14T15:16:01+00:00 14 januari 2019|Categories: Arbeidsrecht - Ondernemingsrecht|Tags: , |