>>>Grondwettelijk Hof : opzeggingsclausules voor hogere bedienden gesloten vóór de Wet Eenheidsstatuut blijven geldig (Eubelius)

Grondwettelijk Hof : opzeggingsclausules voor hogere bedienden gesloten vóór de Wet Eenheidsstatuut blijven geldig (Eubelius)

Auteurs: Véronique PertryFilip Van Beirendonck en François-Xavier Gaudissart (Eubelius)

Publicatiedatum: 31/10/2018

Het Grondwettelijk Hof heeft op 18 oktober 2018 (arrest nr. 140/2018) geoordeeld dat artikel 68, derde lid van de Wet Eenheidsstatuut het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het niet toelaat dat voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn van hogere bedienden (verbonden aan de anciënniteit verworven op 31 december 2013) een op 31 december 2013 geldende opzeggingsclausule toegepast wordt. 

Context

Vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen (de “Wet Eenheidsstatuut”), golden er verschillende regels voor de opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden. Voor de bedienden werd nog een onderscheid gemaakt tussen zogenaamd “lagere” bedienden met een jaarloon lager dan 32.354 EUR, “hogere” bedienden met een jaarloon hoger dan voornoemd bedrag maar lager dan 64.508 EUR, en “hogere” bedienden met een jaarloon hoger dan 64.508 EUR.

Hogere bedienden wier jaarloon hoger was dan 64.508 EUR konden, ten laatste op het moment van indiensttreding, een opzeggingstermijn overeenkomen met hun werkgever. Andere hogere bedienden konden enkel een geldige opzeggingsclausule sluiten indien de overeengekomen opzeggingstermijn gunstiger was dan deze waarop zij recht zouden hebben indien geen opzeggingsclausule was overeengekomen.

De Wet Eenheidsstatuut heeft nieuwe opzeggingstermijnen bepaald die gelijk zijn voor arbeiders en bedienden. Er werden echter ook overgangsmaatregelen bepaald. De opzeggingstermijn voor de periode van tewerkstelling voorafgaand aan 1 januari 2014 wordt voor hogere bedienden forfaitair vastgesteld op één maand per begonnen dienstjaar (met een minimum van 3 maanden). Voor andere werknemers wordt deze opzeggingstermijn vastgesteld op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die op 31 december 2013 van toepassing waren.

Kort na de inwerkingtreding van de Wet Eenheidsstatuut is de vraag gerezen naar het lot van vóór 1 januari 2014 geldig gesloten opzeggingsclausules voor hogere bedienen (ongeacht of hun jaarloon lager of hoger is dan 64.508 EUR). Volgens een eerste strekking konden dergelijke opzeggingsclausules niet meer toegepast worden omdat de wet dit niet toelaat en moest de opzeggingstermijn dus overeenkomstig de Wet Eenheidsstatuut bepaald worden op 1 maand per dienstjaar. Volgens een tweede strekking konden opzeggingsclausules die gunstiger waren dan de wettelijke opzeggingstermijn verder toegepast worden omdat dit bleek uit de parlementaire voorbereiding van de wet.

Prejudiciële vraag

De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst heeft – geconfronteerd met een opzeggingsclausule voor een hogere bediende die gunstiger was dan de wettelijke opzeggingstermijn – geoordeeld dat deze clausule niet toegepast kon worden. Voor de arbeidsrechtbank is de wet duidelijk en kunnen opzeggingsclausules gesloten door hogere bedienden vóór 1 januari 2014 niet meer toegepast worden.

De arbeidsrechtbank zag echter een mogelijke discriminatie tussen hogere bedienden en andere werknemers. Opzeggingsclausules gesloten door hogere bedienden zouden door de Wet Eenheidsstatuut immers niet meer toegepast kunnen worden, terwijl opzeggingsclausules gesloten door andere werknemers wel nog kunnen toegepast worden omdat hun opzeggingstermijn vastgesteld wordt op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die op 31 december 2013 van toepassing waren. De arbeidsrechtbank heeft dus beslist om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Beslissing van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest nr. 140/2018 van 18 oktober 2018 dat artikel 68 Wet Eenheidsstatuut enkel zo gelezen kan worden dat dit artikel niet toelaat om rekening te houden met opzeggingsclausules die hogere bedienden vóór 1 januari 2014 sloten.

Vervolgens onderzoekt het Hof ten eerste of er een discriminatie bestaat tussen hogere bedienden enerzijds en andere werknemers anderzijds. Ten slotte gaat het Hof na of er een discriminatie bestaat tussen hogere bedienden die geldig een opzeggingsclausule waren overeengekomen enerzijds en hogere bedienden die geen dergelijke clausule waren overeengekomen anderzijds.

Het Hof oordeelt dat de doelstellingen die de betwiste bepaling nastreeft legitiem zijn. Het Hof verwijst naar het vermijden dat hogere bedienden bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nog zouden moeten onderhandelen over de opzeggingstermijn voor de anciënniteit verworven op 31 december 2013 en het rekening houden met de legitieme verwachtingen van de werkgever en de werknemer.

Het Hof oordeelt echter dat het onderscheid tussen hogere bedienden en andere werknemers en het onderscheid tussen hogere bedienden naar gelang zij al dan niet een geldige opzeggingsclausule hebben gesloten vóór 1 januari 2014, niet pertinent zijn in het licht van de nagestreefde doelstellingen. Het wettelijk regime van opzeggingstermijnen geldt immers ook voor hogere bedienden met een geldige opzeggingsclausule, hoewel er al contractuele zekerheid bestaat over de toepasselijke opzeggingstermijn.

Het Hof besluit daarom dat de betwiste bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het oordeelt dat de verwijzende rechter – in afwachting van wetgevend optreden – een einde moet maken aan de schending van het gelijkheidsbeginsel. Praktisch leidt dit ertoe dat de rechter de opzeggingsclausule kan toepassen.

Conclusie

Het Grondwettelijk Hof heeft een einde gesteld aan de controverse over de vraag of door hogere bedienden vóór 1 januari 2014 geldig gesloten opzeggingsclausules kunnen toegepast worden met betrekking tot de periode van tewerkstelling vóór 1 januari 2014. Het Hof oordeelt inderdaad dat geldige opzeggingsclausules toegepast moeten worden voor het eerste deel van de opzeggingstermijn, namelijk de opzeggingstermijn met betrekking tot de anciënniteit verworven vóór 1 januari 2014. Een werkgever of werknemer kan bijgevolg niet weigeren om een opzeggingsclausule die vóór 1 januari 2014 geldig gesloten werd met een hogere bediende toe te passen, ongeacht of deze clausule voor de bediende voordeliger is dan het wettelijk regime. Alvorens een hogere bediende te ontslaan, is het dus cruciaal om na te kijken of de arbeidsovereenkomst dergelijke clausule bevat.

Het Grondwettelijk Hof heeft zich niet uitgesproken over de berekeningswijze van de anciënniteit verworven ná 1 januari 2014: moet voor deze periode van tewerkstelling de opzeggingsclausule toegepast worden indien deze voordeliger is voor de werknemer, en in bevestigend geval hoe, of moet eenvoudigweg de wettelijke opzeggingstermijn toegepast worden? Dit blijft momenteel een punt van twijfel.

Lees hier het originele artikel

2018-11-06T09:46:18+00:00 6 november 2018|Categories: Arbeidsrecht - Ondernemingsrecht|Tags: , , |