>>>Docente met deeltijdse opdrachten en overstap naar zelfstandigenstatuut. Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie oordeelt negatief op 17 november 2020 (LegalNews)

Docente met deeltijdse opdrachten en overstap naar zelfstandigenstatuut. Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie oordeelt negatief op 17 november 2020 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 05/01/2021

De feiten

De aanvrager legt uit dat zij al een zestal jaar werkt als docent bij Y. Ze geeft er Nederlands aan anderstaligen. Ze heeft er opeenvolgende deeltijdse arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, waarvan de duurtijd overeenstemt de cursusperiode. De arbeidsovereenkomst van 17 februari 2020 die zij voorlegt, verstreek op 29 juni 2020. De aanvrager geeft aan dat haar werkgever regelmatig het voorstel doet om over te stappen naar het statuut van zelfstandige. Zij verduidelijkte dat een aantal docenten inderdaad als zelfstandige actief zijn.  

De negatieve aspecten volgens de Commissie

Uit het relaas van de aanvrager, weliswaar geheel eenzijdig, blijkt dat:

  • haar werkgever aan de verschillende docenten (in loondienst) regelmatig de vraag stelt om over te schakelen naar het statuut van zelfstandige, onder andere met een emailbericht dat als volgt luidt: “Wist u dat u netto meer overhoudt als u als zelfstandige voor Y werkt?”.
  • De directeur op een vraag tot toelichting per mail het volgende antwoordde: “Maar ik wil toch nog even kwijt dat ik niet begrijp waarom je denkt dat de Y-cursisten een verschil zouden ervaren tussen een taaldocent die vergoed wordt als zelfstandig en iemand die in loondienst werkt. We hebben beide types taaldocenten en maken geen verschil in de inzet van beide. Integendeel: we verwachten dat iedereen met hetzelfde materiaal werkt en met dezelfde didactische competenties. Zo is K.W. bijvoorbeeld gestart als zelfstandige en overgegaan naar loondienst en M.H. (Frans) deed precies het omgekeerde.”

Deze brengen de Commissie tot de overtuiging dat Y de statuten van werknemer en zelfstandige schijnbaar als onderling inwisselbaar beschouwt. Hoewel ook de aanvrager aangeeft dat men het zelfstandig statuut niet verplicht moet aannemen, wordt dit om financiële redenen schijnbaar actief gepromoot door Y.

De aanvrager gaf toelichting bij de wijze waarop zij thans haar werk (als werkneemster) uitvoert. Verschillende elementen veruiterlijken het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer:

  • De tewerkstelling gebeurt op een werkplaats die door de werkgever wordt aangeduid en kan worden gewijzigd (art. 1 arbeidsovereenkomst). Er wordt gebruik gemaakt van leslokalen van de universiteit waaraan Y verbonden is.
  • De wekelijkse arbeidsduur is vastgelegd in het arbeidsreglement en wordt in de week verdeeld in afspraak tussen de werknemer en het diensthoofd (art. 6 arbeidsovereenkomst). De aanvrager lichtte nog toe dat de werktijden van de docenten uiteindelijk vastliggen, in die zin dat de lessen moeten worden gegeven op vaste dagen en op vaste tijdstippen, volgens een algemene jaarplanning, waarin docenten geen inspraak hebben.
  • De docent moet gebruik maken van het lesmateriaal dat door Y wordt opgelegd. De aanvrager verduidelijkt dat zij geen inspraak heeft in het bepalen van het lesmateriaal en/of het vastleggen van het lesprogramma.
  • De docent wordt op geregelde tijdstippen door een verantwoordelijke of leidinggevende geobserveerd om te bepalen of hij of zij voldoet aan de eisen. Er is dus sprake van hiërarchische controle. In de mate dat al deze elementen ook effectief aanwezig zijn en blijven bij de uitvoering van de zelfstandige samenwerkingsovereenkomst, is er in werkelijkheid geen sprake van een samenwerking op zelfstandige basis.

De Commissie houdt hierbij ook rekening met een bepaling uit het document “bevestiging medewerking” (als zelfstandige) waaruit blijkt dat een negatieve evaluatie aanleiding kan geven tot stopzetting of annulering ervan, zonder dat de docent alsdan gerechtigd is op een annuleringsvergoeding of vervangingsopdracht. Dit bevestigt naar het oordeel van de Commissie de aanwezigheid van hiërarchische controle, ook binnen het kader van een zogenaamde samenwerking op zelfstandige basis.

Lees hier de beslissing van de Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie van 17 november 2020

2021-01-05T09:00:19+00:00 5 januari 2021|Categories: Sociaal recht|Tags: |