>>>Bulgaren op Belgische bouwwerf: niet altijd schijnzelfstandigen. Hof van beroep Antwerpen 23 januari 2020 (KULeuven)

Bulgaren op Belgische bouwwerf: niet altijd schijnzelfstandigen. Hof van beroep Antwerpen 23 januari 2020 (KULeuven)

Auteur: Sarah De Groof (Instituut voor Arbeidsrecht KULeuven)

Publicatiedatum: februari 2020

In de recentste nieuwsbrief van het Instituut voor Arbeidsrecht van de KULeuven wordt het onuitgegeven arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 januari 2020 becommentarieerd door mevr. Sarah De Groof.

Hieronder volgt haar bijdrage:

In deze zaak wordt een mooie toepassing gemaakt van het verschil tussen een werknemer en een zelfstandige. En wat ons betreft is de conclusie dat het verschil hoe langer hoe minder evident is. Het hof besluit immers dat vier personen als zelfstandigen aan het werk waren, maar de redenen daartoe zijn wellicht herkenbaar voor veel werknemers in een moderne arbeidsrelatie. De conclusie is dus dat het vooral de keuze van de partijen is om als werknemer dan wel als zelfstandige te werken, die doorslaggevend is. En dat dit ook geldt in sectoren waar het vermoeden van werkgeverschap geldt.

Het betrof vier Bulgaarse onderdanen die voor een Belgisch bouwbedrijf werkten. Bij een werfcontrole stelde de sociale inspectiedienst vast dat de vier niet over de juiste papieren beschikten om als werknemer te kunnen werken, of dat de nodige aangiftes niet werden gedaan.
Het was dus zaak te weten of ze werknemer, dan wel zelfstandigen waren.

Daarvoor moeten we teruggrijpen naar de Arbeidsrelatiewet. Voor de bouwsector geldt een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het KB van 7 juni 2013 bepaalt criteria voor dat vermoeden. Aan de meerderheid van de criteria wordt voldaan in deze zaak, wat ook niet wordt betwist door de beklaagden.

Maar dat vermoeden wordt volgens het hof van beroep weerlegd doordat de medewerkers de arbeidsrelatie “als zelfstandige hebben gekwalificeerd”. Het hof komt tot dat besluit doordat uit de (oorspronkelijke) verklaringen blijkt dat de 4 medewerkers zelf aangaven als zelfstandige te willen werken, onder meer om zo meer uren te kunnen werken en meer te verdienen.

Vervolgens gaat het hof ook nog de drie andere criteria na, en die beoordeling doet het hof niet van gedachten veranderen.

  1. Er was ten eerste vrijheid van organisatie van de werktijd. De vier medewerkers reden weliswaar samen naar de werf zodat hun uren gelijk liepen, maar deze uren werden volgens het hof niet eenzijdig opgelegd door de zaakvoerder. De zaakvoerder legde wel op dat het werk af moest zijn, maar “uit niets blijkt” dat zij niet konden beslissen eerder te stoppen. Hun afwezigheden (vakantie, ziekte) moesten ze bovendien gewoon melden, zonder toestemming te vragen.
  2. Wat ten tweede de organisatie van het werk betreft, blijkt dat de planning in overleg werd opgesteld. De zaakvoerder gaf opdrachten, maar geen precieze instructies. Opmerkelijk is dat het hof overweegt “dat de Bulgaarse medewerkers reeds ervaring hadden in de bouw […] zodat aangenomen kan worden dat er ook geen precieze instructies nodig waren”. Een overweging die wellicht ook geldt in veel arbeidsrelaties.
  3. De mogelijkheid van hiërarchische controle tot slot wijst het hof af ook al werd de zaakvoerder als ‘baas’ beschouwd. Volgens het hof was dat echter niet omdat hij “de mogelijkheid had om een hiërarchische controle uit te oefenen maar omdat hij het werk regelde en hen betaalde”. En nog “uit de verklaringen van de Bulgaarse medewerkers blijkt wel dat eerste beklaagde hun werk controleerde doch uit niets blijkt dat deze controle door eerste beklaagde verder reikte dan een loutere controle van de kwaliteit van het werk”.

Lees hier het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 januari 2020

2020-03-09T19:13:47+00:00 9 maart 2020|Categories: Sociaal recht|Tags: |