>, Faillissement en WCO, Ondernemingsrecht>WCO en werknemers – wat na het arrest Plessers? (Schoups)

WCO en werknemers – wat na het arrest Plessers? (Schoups)

Auteurs: Sara Cockx en Sara Mannaerts (Schoups)

Publicatiedatum: 06/09/2019

Op 16 mei 2019 is er een langverwachte uitspraak in de zaak Plessers gekomen. In deze zaak wordt de regeling van overgang van werknemers in het kader van de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag – de zogenaamde “WCO 3” –  onder vuur genomen.

Onze WCO wetgeving bepaalt dat de verkrijger van een onderneming vrij kan kiezen welke werknemers hij wenst over te nemen. Deze keuze moet wel worden bepaald door economische, technische of organisatorische redenen.

De zaak Plessers

Mevrouw Plessers was een werknemer die in het kader van een dergelijke WCO 3 niet mee werd overgenomen door de verkrijgende vennootschap. Omdat mevrouw Plessers niet akkoord was, startte zij een procedure voor de rechtbank.

Voor de arbeidsrechtbank van Antwerpen werden haar vorderingen nog volledig afgewezen, maar het arbeidshof van Antwerpen besliste om de zaak, via een prejudiciële vraag, voor te leggen aan het  Europese Hof van Justitie.  Het arbeidshof wilde weten of de Belgische WCO-regeling wel in overeenstemming was met de Europese richtlijn 2001/23.

Richtlijn 2001/23

Deze richtlijn bepaalt het kader met betrekking tot de rechten van werknemers bij overdracht van onderneming. Om voldoende bescherming mogelijk te maken, stelt de richtlijn twee principes voorop:

  • Automatische overdracht van de arbeidsovereenkomsten naar de verkrijger.
  • Ontslagbescherming voor de overgedragen werknemers: hun arbeidsovereenkomst mag alleen beëindigd worden omwille van technische, economische of organisatorische redenen (en dus niet met als reden de overdracht van de onderneming zelf).

Deze principes zijn in ons Belgisch recht omgezet in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis.

Op deze algemene principes wordt weliswaar een uitzondering gemaakt voor ondernemingen die zich in een faillissementsprocedure (of in een soortgelijke procedure) bevinden. Indien deze procedure bovendien wordt ingeleid met het oog op de liquidatie van de activa én onder het toeziend oog van een bevoegd overheidsinstantie, gelden de twee voornoemde principes van werknemersprincipes niet, en mag een verkrijger aldus volledig zelf kiezen welke werknemers al dan niet worden overgenomen.

Deze uitzondering is logisch in het licht van het toepassingsgebied van de richtlijn, met name de overdracht van ondernemingen met als doel om zoveel mogelijk de voortzetting van activiteiten te bewerkstelligen. In de cao 32bis is in dit kader een afzonderlijk hoofdstuk voor overname van werknemers na faillissement opgenomen. De vraag rijst of onze WCO-regeling eveneens onder deze uitzondering valt.

Wat zegt het Hof van Justitie?

Volgens het Hof valt de Belgische WCO 3 regelgeving niet onder de uitzondering op de algemene principes van overdracht van personeel, onder meer omdat het geen faillissementsprocedure betreft. Ook aan de twee andere cumulatieve voorwaarden is niet voldaan. Aangezien de uitzonderingsregeling niet geldt, blijven de algemene principes van werknemersbescherming onverkort van toepassing.

Het Hof van Justitie oordeelde verder dat nationale regelgevingen die wel een dergelijk keuzerecht voorzien voor de verkrijger in deze situatie, niet richtlijnconform zijn. De WCO regeling bepaalt immers dat de keuze van de overgenomen werknemers moet worden ingegeven door economische, technische of organisatorische redenen, terwijl de richtlijn daarentegen vooropstelt dat de ontslagen in dergelijke context moeten kunnen worden verantwoord om diezelfde economische, technische of organisatorische redenen. Het Hof lijkt aldus te impliceren dat de Belgische wetgever, omdat zij het enkel heeft over de keuze van de overgenomen werknemers, niet voldoende waarborgen heeft voorzien ter bescherming van ontslagen werknemers.

En nu?

De grote vraag is welke gevolgen het Arrest Plessers in de praktijk zal hebben.

Het Arbeidshof van Antwerpen, evenals elke andere Belgische nationale rechter, is in elk geval gebonden door de interpretatie die het Hof van Justitie heeft gegeven, met name het feit dat deze richtlijn zich verzet tegen een keuzerecht van de verkrijger. De kans bestaat dus dat het Arbeidshof dat zich nu opnieuw over de zaak Plessers moet buigen, oordeelt dat de WCO-reglementering niet conform de Europese wetgeving is. In dat geval zou mevrouw Plessers een schadevergoeding van de Belgische staat kunnen vorderen omwille van het foutief implementeren van de Europese richtlijn.

De vraag rijst daarbij eveneens wat er zal gebeuren met alle vroegere uitspraken sinds 31 januari 2009, zijnde de datum van inwerkingtreding van de WCO-wet. Arresten van het Hof van Justitie, in antwoord op een prejudiciële vraag, hebben in principe immers terugwerkende kracht. De Belgische wetgever zal mogelijks willen ingrijpen door het concretiseren van de bewijsplicht van de verkrijger. Het Hof van Justitie lijkt immers te impliceren dat de wetgeving wel richtlijnconform zou zijn indien zij een bepaalde bewijsplicht voor de verkrijger zou bevatten om de economische, technische of organisatorische redenen ook voor de ontslagen werknemers te bewijzen (en dus niet alleen voor de werknemers die wel werden overgenomen).

Wordt vervolgd…

Lees hier het originele artikel

2019-09-08T14:37:43+00:00 13 september 2019|Categories: Arbeidsrecht - Faillissement en WCO - Ondernemingsrecht|Tags: , , |