>, Insolventierecht>Schuldvorderingen in de opschorting. Cassatie-arrest van 11 januari 2021 (LegalNews)

Schuldvorderingen in de opschorting. Cassatie-arrest van 11 januari 2021 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 19/03/2021

Krachtens artikel 2, c, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, zoals van toepassing, worden met “schuldvorderingen in de opschorting” bedoeld de schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die volgen uit het verzoekschrift of de gerechtelijke beslissingen genomen in het kader van de procedure.

Een schuldvordering wordt geacht te zijn ontstaan vóór de procedure van gerechtelijke reorganisatie wanneer zij haar grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding.

Volgens artikel 57 van dezelfde wet maakt de homologatie van het reorganisatieplan dit plan bindend voor alle schuldeisers in de opschorting. Tenzij het plan uitdrukkelijk anders bepaalt, bevrijdt de volledige uitvoering ervan de schuldenaar geheel en definitief, voor alle schuldvorderingen die erin voorkomen.

Krachtens artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

De veroordeling tot de gerechtskosten onderstelt het bestaan van een procesverhouding. Hierdoor draagt iedere partij het risico om veroordeeld te worden tot de gerechtskosten van de zegevierende partij.

Uit het vorenstaande volgt dat de schuldvordering tot betaling van de gerechtskosten ontstaat op het ogenblik van het ontstaan van de procesverhouding en de veroordeling tot de gerechtskosten geldt als “schuldvordering in de opschorting” indien de procesverhouding bestond vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.

De appelrechters (Antwerpen 18 februari 2019) stellen vast dat:

  • de eiseres in 2015 werd toegelaten tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie;
  • tussen de partijen voordien reeds een procesverhouding bestond;
  • de vordering van de eiseres tegen de verweerster door een arrest van het hof van beroep van 24 januari 2017 werd afgewezen en de eiseres samen met een andere procespartij werd veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de verweerster bepaald op 18.000 euro.

De appelrechters die oordelen dat de vordering tot het betalen van de gerechtskosten slechts ontstaat op het ogenblik van de gerechtelijke uitspraak op 24 januari 2017 en derhalve niet als een schuldvordering in de opschorting kan worden beschouwd in de zin van artikel 2, c, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

 Lees hier het Cassatie-arrest van 11 januari 2021

2021-03-19T11:11:13+00:00 19 maart 2021|Categories: Insolventierecht - Gerechtelijk recht|Tags: , , |