>>>Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement (Corporate Finance Lab)

Over de gedeeltelijke kwijtschelding bij faillissement (Corporate Finance Lab)

Auteur: Joeri Vananroye (Corporate Finance Lab)

Publicatiedatum: 19/09/2018

Onderscheid tussen collectieve en individuele schade ook relevant bij kwijtschelding na faillissement

Kwijtschelding impliceert dat de gefailleerde natuurlijke persoon ten aanzien van de schuldeisers in beginsel wordt bevrijd van alle restschulden die bestaan bij de sluiting van het faillissement.  De kwijtschelding geldt niet voor (i) onderhoudsschulden van de gefailleerde en (ii) schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft (art. XX.173, §1 al. 2 WER).

Dit artikel vermeldt, anders dan bij de regels inzake vermindering of kwijtschelding bij een collectief akkoord (art. XX.73 WER) strafrechtelijke boetes niet. Art. 464/1 Sv bepaalt echter dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure enkel kan worden toegestaan met toepassing van het koninklijk genaderecht.

Boedelschulden worden door de wetgever evenmin vermeld. Het Hof van Cassatie oordeelde onder het stelsel van de Faillissementswet dat de verschoonbaarheid niet van toepassing is op de boedelschulden (Cass. 5 oktober 2007, RW 2010-11, 381). Deze uitzondering geldt ook onder het stelsel van de kwijtschelding.

Na verzet door een belanghebbende kan kwijtschelding worden geweigerd, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk. Dit laatste is nieuw. De mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding bij verzet van een derde-belanghebbende geeft de rechtbank de mogelijkheid om in grijstinten te schilderen i.p.v. het oude zwart/wit- regime van de verschoonbaarheid.

De rechtbanken zullen de gevolgen van een gedeeltelijke kwijtschelding nauwkeurig moeten omschrijven (D. Pasteger, “De l’excusabilité à l’effacement”, TBH 2018, 271, nr. 19). Niets belet dat de rechtbank ook specifieke schuldvorderingen uitsluit van de kwijtschelding i.p.v. één globale gedeeltelijke weigering die alle schuldeisers ten goede komt (D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, 310, nr. 583).

Een vorige post zag de gehele of gedeeltelijke weigering van kwijtschelding als een vorm van “bestuursaansprakelijkheid” voor de natuurlijke persoon voor onrechtmatigheden bij het beheer van zijn vermogen. De mogelijkheid van gedeeltelijke kwijtschelding laat de rechter toe om de sanctie af te stemmen op de schade die voor de onrechtmatigheid werd veroorzaakt.

De analogie met bestuursaansprakelijkheid wijst ook de weg bij de vraag of het beperken van kwijtschelding globaal dient te worden toegepast dan wel enkel voor specifieke schuldeisers geldt (zie daarover ook D. Pasteger, TBH 2018, 271, nr. 18 en S. Brijs, S. Jacmain en K. De Smet, “Kwijtschelding en andere nieuwigheden in het faillissement”, In Foro 2017/4, 17, nr. 7.)

Bepalend daarbij hoort de aard van de schade te zijn:

  • een globale gedeeltelijke weigering is aangewezen indien de kennelijk grove fout collectieve schade heeft veroorzaakt,
  • terwijl een meer selectieve weigering aangewezen is voor schuldeisers met individuele schade.

Een voorbeeld van dat laatste is een schuldeiser die aan de vooravond van het faillissement nog werd misleid om krediet te verlenen.

Lees hier het originele artikel

Kwijtschelding wordt besproken door Joeri Vananroye en Roel Verheyden in de Themis-cyclus Insolventie- en Beslagrecht (Leuven, Brussel, Hasselt en Kortrijk). Het onderscheid tussen het insolventierechtelijk regime van natuurlijke personen die onderneming zijn en anderen komt aan bod bij op de studienamiddagen Nieuw Ondernemingsrecht (Leuven en Brussel).

2018-09-20T05:57:51+00:00 20 september 2018|Categories: Faillissement en WCO - Ondernemingsrecht|Tags: , |