>, Ondernemingsrecht, Straf- en strafprocesrecht>Insolventierecht en de raaklijnen met het strafrecht. Een aantal relevante Cassatie-arresten onder de loep (LegalNews.be)

Insolventierecht en de raaklijnen met het strafrecht. Een aantal relevante Cassatie-arresten onder de loep (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 13/04/2019

Op 20 juni 2019 spreekt mr. Jürgen Egger (advocaat-vennoot Laga)  over ‘Insolventierecht: raaklijnen met het strafrecht’ tijdens de Themadag ‘Ondernemingsstrafrecht’ (4 apart te volgen sessies).

Elke deelnemer aan de Themadag ontvangt het ‘Wetboek Ondernemingsstrafrecht – 2019’ (uitgave Larcier ter waarde van € 80), dat met meer dan 700 blz., een perfecte actuele documentatie is voor iedereen die met een of meerdere aspecten van het ondernemingsstrafrecht wordt geconfronteerd.

In deze bijdrage overlopen we een aantal relevante Cassatie-arresten.

Faillissement. Misbruik van vertrouwen. Witwassen van de daaruit voortgekomen vermogensbestanddelen (Cassatie 9 april 2019)

Beklaagde had als zaakvoerder het precair bezit van diamanten, heeft zich gedragen als eigenaar ten opzichte van deze goederen en deze verduistert. De goederen zijn derhalve bekomen door het misdrijf misbruik van vertrouwen en de daaruit voortgekomen vermogensvoordelen zijn witgewassen.

Lees hier het arrest

Faillissement. Schending van art. 211bis Wetboek van Strafvordering, samenloop bedoeld in art. 65, tweede lid, Strafwetboek (Cassatie 16 oktober 2018)

Wanneer de appelrechters, anders dan de eerste rechter, de in artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bedoelde samenloop vaststellen en oordelen dat de reeds uitgesproken straffen niet voldoende lijken voor een juiste bestraffing van al de misdrijven, houden zij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan. De appelrechters die aldus, rekening houdend met de bedoelde samenloop, een bijkomende straf uitspreken die niet zwaarder is dan de straf die het beroepen vonnis heeft opgelegd wegens het bij hen aanhangige feit alleen, verzwaren de toestand van de beklaagde niet.

Lees hier het arrest

Misdrijf van niet-aangifte van het faillissement binnen de wettelijke termijn. Moreel bestanddeel (Cassatie 27 juni 2018)

Het onrechtmatige opzet dat vereist is om het misdrijf van niet-aangifte van faillissement binnen de wettelijke termijn op te leveren, kan worden gekenmerkt door de doelstelling, die nu eens erin bestond om de vennootschappen lang genoeg te laten bestaan om daarvan de activa te kunnen overdragen teneinde de dader in staat te stellen zijn beroepsactiviteiten te kunnen voortzetten, dan weer om ten nadele van de schuldeisers een fictief krediet te genereren.

Lees hier het arrest

Verzuim om aangifte te doen van het faillissement. Personen gehouden tot het doen van die aangifte. Feitelijke bestuurder van een handelsvennootschap (Cassatie 9 januari 2018)

De in artikel 489 Strafwetboek bedoelde personen die artikel 489bis, 4°, van dat wetboek strafbaar stelt, zijn de kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 Faillissementswet of de bestuurders in rechte of in feite van handelsvennootschappen die zich in staat van faillissement bevinden en aldus rekent artikel 489bis, 4°, Strafwetboek het erin bedoelde misdrijf uitdrukkelijk toe aan feitelijke bestuurders van failliete handelsvennootschappen.

Hieruit volgt dat wanneer een handelsvennootschap in werkelijkheid wordt geleid door een feitelijke bestuurder, deze laatste ertoe gehouden is het nodige te doen opdat het faillissement van die vennootschap tijdig wordt aangegeven.

De enkele omstandigheid dat die bestuurder niet de persoonlijke hoedanigheid heeft om de aangifte te doen, sluit dan ook zijn strafbaarheid op grond van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek niet uit.

Lees hier het arrest

Faillissement en misbruik van vennootschapsgoederen. Gebruik van diens goederen op betekenisvolle wijze in het nadeel van zijn vermogensbelangen (Cassatie 6 juni 2017)

Art. 492bis Strafwetboek straft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Bij de beoordeling of het gebruik van goederen of het krediet van de rechtspersoon op betekenisvolle wijze in het nadeel is van de vermogensbelangen van een rechtspersoon, mag de rechter rekening houden met een op dat ogenblik zekere en vaststaande belastingschuld, ook al heeft de belastingadministratie die belastingschuld formeel nog niet gevestigd.

Lees hier het arrest

Misbruik van vennootschapsgoederen. Betekenisvol nadeel voor de vermogensbelangen van de vennootschap. Pluraliteit van afzonderlijke strafbare feiten. Eéndaadse samenloop (Cassatie 4 april 2017)

De rechter oordeelt onaantastbaar over het al dan niet bestaan van samenloop tussen de feiten die hem gelijktijdig ter beoordeling worden voorgelegd en wanneer hij een dergelijke samenloop aanneemt, staat het hem vrij bij de beoordeling van één van die feiten, rekening te houden met, naar zijn oordeel, relevante gegevens die betrekking hebben op een ander feit.

Aldus is de beslissing dat de beklaagden aan de hand van het veelvoud van gepleegde feiten waarbij telkens een eerder beperkt bedrag werd afgehaald, op het ogenblik van het plegen van elk afzonderlijk feit zich ervan bewust waren dat het totaalbedrag van die afhalingen, dat het resultaat is van die afzonderlijke verduisteringen, een betekenisvol nadeel inhield voor de vermogensbelangen van de vennootschap naar recht verantwoord.

Lees hier het arrest

Faillissement. Verduistering van activa, bedrieglijk opzet, draagwijdte (Cassatie 5 januari 2016)

Schuldvergelijking vereist het bestaan van twee schulden die elkaar compenseren en is derhalve slechts mogelijk tussen twee schuldenaars die tevens tegenover elkaar een schuldvordering hebben. De enkele omstandigheid dat een vennoot tegenover de vennootschap een schuldvordering heeft omdat hij eigen gelden heeft aangewend tot betaling van de schulden van die vennootschap en dat hij tot terugbetaling daarvan gelden opneemt uit zijn rekening-courant, maakt geen schuldvergelijking uit, aangezien die omstandigheid niet tot gevolg heeft dat daardoor een eigen schuld van de vennoot jegens de vennootschap bestaat. (Art. 1298 BW ; art. 17, 2° en 99 Faillissementswet).

Het arrest dat oordeelt dat het bedrieglijk opzet bij het misdrijf van verduistering van activa erin bestaat dat de dader zichzelf een voordeel verschaft heeft dat hij anders niet zou hebben gehad daar hij wegens zijn vordering in rekening-courant als chirografaire schuldeiser in het faillissement uiteindelijk slechts een minimale fractie van dit bedrag zou hebben gerecupereerd, oordeelt aldus dat de dader zich een onrechtmatig voordeel heeft verschaft en verantwoordt de beslissing dat het bedrieglijk opzet vaststaat naar recht (Art. 489 ter, lid 1, 1° Sw.).

Lees hier het arrest

Themadag ‘Ondernemingsstrafrecht’

2019-04-13T08:43:13+00:00 13 april 2019|Categories: Faillissement en WCO - Ondernemingsrecht - Straf- en strafprocesrecht|Tags: , |