>, Verbintenissen- en zakenrecht>Insolventieprocedure: toepasselijk recht op vordering tot betaling goederen geleverd op basis overeenkomst gesloten voor opening insolventieprocedure. Hof van Justitie 21 november 2019 (LegalNews.be)

Insolventieprocedure: toepasselijk recht op vordering tot betaling goederen geleverd op basis overeenkomst gesloten voor opening insolventieprocedure. Hof van Justitie 21 november 2019 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 09/01/2020

Waarover ging het?

Is het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend van toepassing op een vordering tot betaling van goederen die zijn geleverd op grond van een overeenkomst die is gesloten vóór de opening van de insolventieprocedure, wanneer deze vordering door de curator van een failliet bedrijf dat is gevestigd in de ene lidstaat, is ingesteld tegen de andere contractpartij, een in een andere lidstaat gevestigd bedrijf?
Er moet worden nagegaan of een dergelijke vordering behoort tot de insolventieprocedure of de gevolgen daarvan in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1346/2000.

Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan, tenzij deze verordening iets anders bepaalt, beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend.
Artikel 4, lid 2, van die verordening preciseert ten eerste dat het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd, en geeft ten tweede een niet-uitputtende opsomming van de verschillende procedureregels die worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend.
Teneinde te bepalen of het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend van toepassing is op een vordering tot betaling van goederen die zijn geleverd op grond van een overeenkomst die is gesloten vóór de opening van de insolventieprocedure, wanneer deze vordering door de curator van een failliet bedrijf dat is gevestigd in de ene lidstaat, is ingesteld tegen de andere contractpartij, een in een andere lidstaat gevestigd bedrijf, moet dus worden nagegaan of een dergelijke vordering behoort tot de insolventieprocedure of de gevolgen daarvan in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1346/2000.

Besluit van het Hof van Justitie

Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de verwijzing in artikel 4, lid 2, onder d) en e), van verordening nr. 1346/2000 naar de voorwaarden waaronder een verrekening van een schuldvordering kan worden tegengeworpen en naar de gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende overeenkomsten derhalve niet betekenen dat elke vordering op basis van een overeenkomst waarbij een van de contractpartijen aan een insolventieprocedure is onderworpen, louter om die reden onder het begrip „insolventieprocedure en de gevolgen daarvan” valt.

In het bijzonder is het enkele feit dat een curator een dergelijke vordering heeft ingesteld niet beslissend voor de beoordeling of die vordering onder het begrip „insolventieprocedure en de gevolgen daarvan” valt:

  1. Ten eerste kan een vordering tot betaling van op grond van een overeenkomst geleverde goederen immers in beginsel worden ingesteld door de schuldeiser zelf, zodat zij niet tot de exclusieve bevoegdheid van de curator behoort.
  2. Ten tweede is het instellen van die vordering geenszins afhankelijk van de opening van een insolventieprocedure aangezien een dergelijke vordering tot betaling buiten elke insolventieprocedure kan worden ingesteld.

Een vordering tot betaling van op grond van een overeenkomst geleverde goederen, zoals aan de orde in het hoofdgeding, kan dus niet worden aangemerkt als het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg van een dergelijke procedure.

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat een vordering tot betaling van goederen die zijn geleverd ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, niet onder het begrip „insolventieprocedure en de gevolgen daarvan” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 valt, wanneer deze vordering door de curator van een failliet bedrijf dat is gevestigd in een lidstaat, is ingesteld tegen het andere bedrijf dat partij is bij de overeenkomst en dat in een andere lidstaat is gevestigd.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie van 21 november 2019

Themadag ‘Contractuele clausules’

Clausules inzake eigendomsvoorbehoud en retentierecht: sessie tijdens de Themadag ‘Contractuele clausules. Een selectie van clausules die bijzondere aandacht vragen in het licht van recente wetgeving en/of rechtspraak’ op vrijdag 31 januari 2020.

Op vrijdagnamiddag 31 januari 2020 geeft dhr. Eric Dursin, kamervoorzitter hof van beroep Gent in Antwerpen een sessie over ‘Clausules inzake eigendomsvoorbehoud en retentierecht’.

Andere sprekers zijn:

  • Prof. em. dr. Aloïs Van Oevelen, UAntwerpen
  • Mr. Henri Derycke, advocaat-vennoot Derycke & Vandenberghe
  • Mr. Pierre Queritet, advocaat-vennoot PwC Legal
  • Mr. Stijn Vanbaelen, advocaat PwC Legal
  • Mr. Geert Bovy, advocaat-vennoot Baker McKenzie
  • Dr. Joost Vynckier, advocaat Baker McKenzie
  • Prof. dr. Diederik Bruloot, docent UGent
  • Dhr. Eric Dursin, kamervoorzitter hof van beroep Gent
  • Prof. dr. Nick Portugaels, gastprofessor UAntwerpent
  • Mr. Dieter Dejonghe, advocaat-vennoot Claeys & Engels
  • Mr. Ines Vandevelde, advocaat Claeys & Engels

Meer informatie

Studienamiddag ‘Ondernemingen in moeilijkheden: deficitaire vereffening en gerechtelijke reorganisatie’ op 23 april 2020

Tijdens dit seminarie dat gegeven wordt door mr. Rik Crivits,  mr. Astrid Lescouhier, mr. Lore Rammeloo en mr. Jens Vrebos (allen advocaat Crivits & Persyn) komt in de eerste plaats het onderwerp ‘Deficitaire vereffening’ aan bod. Het insolventierecht wijzigde ingrijpend, het vennootschapsrecht kreeg een heuse facelift en er is ook nog de wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht, zodat zich terecht de vraag stelt wat de implicaties zijn van deze wetswijzigingen inzake een deficitaire vereffening van een vennootschap?

Vervolgens wordt ook specifiek een casestudy besproken inzake ‘Gerechtelijke reorganisatie’, waar, aan de hand van een concreet dossier een vergelijking wordt gemaakt tussen de WCO en de insolventiewet.

Elke deelnemer ontvangt het nieuwe boek Ondernemingen in moeilijkheden (editors: Dominique Blommaert en Jelle Derammelaere), dat de praktizijn een overzicht geeft van de gelijkenissen en de verschillen, de voor- en nadelen van drie mogelijke opties: faling, een procedure in het kader van de Wet Continuïteit Ondernemingen of vrijwillig overgaan tot ontbinding en vereffening.

Meer info en inschrijven

2020-01-13T20:18:36+00:00 9 januari 2020|Categories: Insolventierecht - Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: |