>>>Insolventie en beslag: nieuw wetsontwerp – Ministerraad van 6 november 2020 (Crivits & Persyn / LegalNews)

Insolventie en beslag: nieuw wetsontwerp – Ministerraad van 6 november 2020 (Crivits & Persyn / LegalNews)

Auteurs: Crivits & Persyn / LegalNews

Publicatiedatum: 17/11/2020

Inleiding

In deze bijdrage werden uit het ‘Voorontwerp van wet houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19’ de voorgestelde artikelen inzake insolventie en beslag geselecteerd en telkens aangevuld met de relevante motivatie uit de Memorie van Toelichting.

Crivits & Persyn en LegalLearning hebben dit jaar samen al een aantal webinars opgenomen, die een must zijn voor de practicus van het insolventierecht en erkend zijn door diverse beroepsorganisaties:

1. Webinar on demandDe gerechtelijke reorganisatie: een volledige praktijkgerichte analyse’. Deze opname, erkend door verschillende beroepsorganisaties voor 5 punten/uren, bestaat uit drie delen: 1. Ontstaan, de fase voor en de algemene principes van de gerechtelijke reorganisatie, 2. Gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord (‘piste I’) en door collectief akkoord (‘piste II’) en 3. Gerechtelijke reorganisatie door overdracht (‘piste III’).

2. Mr. Rik Crvits en Mr. Jens Vrebos spreken ook op donderdag 3 december 2020 over ‘Zakelijke rechten in vastgoedtransacties en (dreigende) insolventie’ tijdens de studiedag in webinar-formuleVastgoedprojecten: 4 actuele topics’, een initiatief van LegalNews en Intersentia.

3. ‘KB nr. 15 (Staatsblad van 24 april 2020). Een opschorting voor de door de COVID-19-crisis getroffen ondernemingen’. Deze opname van mei 2020 is opnieuw actueel, gezien de maatregelen zullen hernieuwd worden tot en met 31 januari 2021. U kan deze opname hier bekijken:

Initiatieven ten voordele van de ondernemingen

1. Hernieuwing maatregelen van KB 15

De maatregelen van KB nr. 15 van 24 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de COVID-19 crisis zouden hernieuwd worden tot en met 31 januari 2021.

Het toepassingsgebied van deze bepalingen zal beperkt zijn tot de ondernemingen die getroffen zijn door de maatregelen ter beperking van de activiteiten die vallen onder het ministerieel besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.

Al deze maatregelen zijn tijdelijk en zullen ophouden te bestaan op de gekozen vervaldatum. Dankzij de maatregel kunnen de ondernemingen die onder het voornoemde toepassingsgebied vallen, een tijdelijke opschorting genieten om een toestand van faillissement die valt onder boek XX van het Wetboek van economisch recht, te voorkomen.

De zelfstandigenorganisatie Unizo was vragende partij voor een nieuw moratorium.

Art. 83.

Alle ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van Boek XX van het Wetboek van economisch recht en het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, en waarvan de continuïteit bedreigd is door de verspreiding van de COVID-19 epidemie of pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020, genieten van een tijdelijke opschorting genieten een tijdelijke opschorting vanaf de dag van de inwerkingtreding van deze wet tot en met 31 januari 2021, zoals hierna bepaald:

  • Behoudens op onroerende goederen, kan geen bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd, en geen enkel middel van tenuitvoerlegging worden aangewend of voortgezet op de goederen van de onderneming, voor alle schulden van de onderneming, met inbegrip van de schulden opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van dit besluit; deze bepaling is niet van toepassing op het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
  • De onderneming kan niet op dagvaarding failliet verklaard worden of, indien deze een rechtspersoon is, gerechtelijk worden ontbonden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of de in toepassing van artikel XX.32 van hetzelfde Wetboek door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank aangestelde voorlopige bewindvoerder of met de toestemming van de schuldenaar; evenmin kan op grond van artikel XX.84, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een deel van haar activiteiten worden bevolen;
  • De betalingstermijnen opgenomen in  een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van dit besluit,  worden verlengd met  een duur gelijk aan die van de opschorting bedoeld in huidig besluit, desgevallend met verlenging van de maximumtermijn van vijf jaar voor de uitvoering van het plan in afwijking van artikel XX.76 van hetzelfde Wetboek en van de maximumtermijn bedoeld in artikel XX.74 van hetzelfde Wetboek;
  • Overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van dit besluit kunnen niet eenzijdig of gerechtelijk worden ontbonden wegens een wanbetaling van een geldschuld opeisbaar onder de overeenkomst; deze bepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.

Elke belanghebbende partij kan bij dagvaarding de Voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank verzoeken te beslissen dat een onderneming niet valt onder het toepassingsgebied van de hierboven bedoelde opschorting of deze opschorting geheel of gedeeltelijk op te heffen bij een bijzonder met redenen omklede beslissing. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. De voorzitter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken.  De Voorzitter houdt daarbij onder meer rekening met de vraag of ten gevolge van de COVID-19 epidemie of pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoeker.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting opeisbare schulden te betalen, noch aan de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals onder meer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht. Zij laat de toepassing van de Wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten onverlet. Zij raakt evenmin aan de verplichtingen van de werkgevers.

Memorie van Toelichting

Voor een bespreking van dit artikel wordt verwezen naar de bespreking van het overeenkomstige artikel van koninklijk besluit n° 15, in het Verslag aan de Koning bij dat besluit.

Lees hier meer

Art. 84.

De verplichting bedoeld in artikel XX.102 van hetzelfde Wetboek voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen, wordt voor de ondernemingen die het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, opgeschort gedurende de termijn van opschorting bedoeld in artikel 83 indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19-epidemie of -pandemie en haar gevolgen. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen.

Memorie van Toelichting

Voor een bespreking van dit artikel wordt verwezen naar de bespreking van het overeenkomstige artikel van koninklijk besluit n° 15, in het Verslag aan de Koning bij dat besluit.

Lees hier meer

Art. 85.

De artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het WER zijn niet toepasselijk op nieuwe kredieten tijdens de duur van de opschorting verstrekt aan de ondernemingen bedoeld in artikel 83 noch op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan.

De verstrekkers van de in het eerste lid bedoelde nieuwe kredieten kunnen niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat de nieuwe kredieten de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de schuldenaar niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.

Memorie van Toelichting

Voor een bespreking van dit artikel wordt verwezen naar de bespreking van het overeenkomstige artikel van koninklijk besluit n° 15, in het Verslag aan de Koning bij dat besluit.

Lees hier meer

2. Gerechtelijke ontbinding van ‘lege dozen’ in plaats van faillissement

Faillissementen die worden afgesloten wegens onvoldoende activa maken het leeuwendeel van de faillissementen uit, met doorgaans procedures zonder enig nut voor de schuldeisers.

Het faillissement is evenwel een complexe procedure die de werklast van de ondernemingsrechtbanken en de financiële parketten aanzienlijk, en uiteindelijk nodeloos, verhoogt. Voorts is het faillissement een procedure die aanzienlijke kosten teweegbrengt voor de Staat (griffie- en faillissementskosten, forfaitair ereloon van de curator en van de insolventiefunctionarissen).

Voor die lege ‘dozen’ zal er geen benoeming van een curator gelden, maar een gerechtelijke ontbinding met onmiddellijke sluiting.

Daarom is het de bedoeling,  voornamelijk in het geval van een lege ‘doos’, de gerechtelijke ontbinding te bevoorrechten in plaats van het faillissement uit te spreken.

Het ontwerp ligt in het verlengde van de wet van 17 mei 2017 tot wijziging van diverse wetten met het oog op de aanvulling van de gerechtelijke ontbindingsprocedure van vennootschappen, waarvan de bepalingen thans zijn opgenomen in Boek XX van het WER (art. XX.29) en in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (art. 2:70 en volgende), die de rechtbanken heeft voorzien van geschikte instrumenten waarmee zij de problematiek van onbeheerde rechtspersonen kunnen regelen.

Dit hoofdstuk zal van toepassing zijn tot 31 maart 2021.

Afdeling 1 – Wijzigingen van het boek XX van het Wetboek Economisch Recht

Art. 53.

In artikel XX.93 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  1. worden de woorden “of, wanneer het gerechtvaardigd is dat deze voortgezet wordt voor andere doeleinden, ” opgeheven;
  2. wordt tussen de eerste en tweede zin een zin ingevoegd, luidende:

“Wanneer de schuldenaar een rechtspersoon is, moet de rechtbank, in het vonnis dat dit verzoek inwilligt, de ontbinding en vereffening of het faillissement van de schuldenaar uitspreken.”.

Memorie van toelichting

Aangezien de procedure van overdracht een procedure van vereffening van de activa en activiteiten van de schuldenaar is, wordt voorgesteld de verplichting voor de rechtbank op te nemen om – op verzoek van de schuldenaar – de vereffening of het faillissement van de schuldenaar uit te spreken bij het afsluiten van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.

Art. 54.

In artikel XX.100 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

“De in het eerste lid bedoelde verzoekers tot faillietverklaring kunnen door middel van dezelfde akte verzoeken dat de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat de voorwaarden voor het faillissement zijn vervuld, de gerechtelijke ontbinding van de schuldenaar uitspreekt.”.

Memorie van Toelichting

Dit artikel doet voor de verzoeker tot faillietverklaring de mogelijkheid openvallen om subsidiair een vordering tot vereffening in te stellen. Krachtens artikel 701 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen samenhangende vorderingen voor dezelfde rechter worden gebracht. In dit geval gaat het strikt genomen evenwel niet om samenhangende vorderingen, maar eerder om een alternatieve vordering die betrekking heeft op de gerechtelijke gevolgen die af te leiden zijn van een toestand van staking van betaling waarop de verzoeker zich beroept. Die kan goede redenen hebben om een snelle vereffening te verkiezen boven een faillissementsprocedure, of om de keuze over te laten aan de ondernemingsrechtbank die volkomen op de hoogte is van de toestand van de schuldenaar. In een dergelijk geval behoort de rechtbank de geschikte modaliteiten te beoordelen naargelang de concrete situatie. De rechtbank willigt die alternatieve vordering slechts in voor zover de elementen bedoeld in artikel XX.104 zijn vervuld.

Het lijkt niet aangewezen jegens de verzoeker de bewijslast op te leggen voor de afwezigheid van activa: de verzoeker heeft vaak geen toegang tot die elementen, en dat zou dus betekenen dat hem een buitensporige bewijslast wordt opgelegd. Het bewijs leveren van de toestand van staking van betaling is reeds relatief complex voor de schuldeisers.

Dit artikel beoogt niet de aangiften van staking van betaling, maar alleen de eigenlijke vorderingen tot faillietverklaring.

Art. 55.

Artikel XX.104 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met drie paragrafen, luidende:

Ҥ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan de rechtbank waarbij een vordering tot faillietverklaring aanhangig is gemaakt, wanneer uit de elementen die door de verzoeker werden voorgelegd en uit de elementen die werden verzameld overeenkomstig de artikelen XX.21 tot XX.23 blijkt dat de rechtspersoon zijn betalingen heeft gestaakt, niet beschikt over activa, geen personeel tewerkstelt of heeft tewerkgesteld de laatste achttien maanden, na de partijen te hebben gehoord, ambtshalve de gerechtelijke ontbinding van de verweerder uitspreken met onmiddellijke sluiting van de vereffening.

De rechtbank kan die beslissing onder dezelfde voorwaarden nemen indien bij haar een gelijktijdige vordering tot ontbinding aanhangig werd gemaakt, zoals bedoeld in artikel XX.100, tweede lid.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1, kan de rechtbank waarbij een aangifte van staking van betaling door een rechtspersoon aanhangig is gemaakt, wanneer uit de elementen die door de schuldenaar bij zijn aangifte werden gevoegd blijkt dat de rechtspersoon zijn betalingen heeft gestaakt, niet beschikt over activa en geen personeel tewerkstelt of heeft tewerkgesteld de laatste achttien maanden, na de schuldenaar per gerechtsbrief te hebben opgeroepen, de gerechtelijke ontbinding van de schuldenaar uitspreken met onmiddellijke sluiting van de vereffening.

§ 4. In afwijking van de artikelen XX.108 en XX.109 kan tegen de beslissing bedoeld in de artikelen XX.100, tweede lid, en XX.104, §§ 2 en 3 beroep worden ingesteld zoals bepaald in de artikelen 2:75, 2:113, § 3/1, en 2:114, § 3/1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

De schuldeiser die niet tussenkomt in het geding, kan binnen een termijn van vijf jaar vanaf de bekendmaking van de beslissing bedoeld in paragraaf 4 een derdenverzet aantekenen, zelfs indien hij zich niet beroept op fraude van de schuldenaar of geen gewag kan maken van een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht los van zijn vorderingsrecht.”.

Memorie van Toelichting

Het onderliggende idee van dit artikel is dat, voor wat vennootschappen betreft, er moet worden aangenomen dat de arbitrage tussen de modaliteiten inzake vereffening van de rechtspersoon, die wordt gedicteerd door het algemeen en bijzonder belang, grotendeels afhangt van de rol van de rechter. Hij behoort de belangen tegen elkaar af te wegen en rekening te houden met alle belangen in het geding: de werknemers, de schuldeisers en de overheden.

Aldus zal de keuze tussen de faillissementen, de gerechtelijke reorganisaties, de vereffeningen en de conventionele vereffeningsmodi telkens in eerste instantie gemaakt moeten worden door de rechtstreekse belanghebbenden, maar zal ook de rechtbank de synthese van de belangen in het geding behoren te maken.

Wat meer specifiek het faillissement betreft, beoogt het artikel meerdere hypothesen. De eerste hypothese is de dagvaarding tot faillietverklaring die niet gepaard gaat met een alternatieve vordering tot vereffening. De ondernemingsrechtbank kan, in geval van afwezigheid van activa, na de partijen specifiek over dat punt te hebben gehoord, het faillissement ambtshalve omzetten in een vereffening met onmiddellijke sluiting. De hypothese zoals beoogd in dit artikel verschilt van de hypothese in artikel XX.135 van het Wetboek van economisch recht, dat in geval van ontoereikend actief eveneens voorziet in een onmiddellijke of snelle sluiting, maar dan met de verplichting om middels een faillissementsprocedure met tussenkomst van een curator te werk te gaan.

Door die bepaling zou op het eerste gezicht de vrees kunnen ontstaan voor een miskenning van het beschikkingsbeginsel (zie m.b.t. dat beginsel, M. Grégoire, « La géométrie de l’instance », RCJB 2008, blz. 57.) In dit geval echter verleent de wet uitdrukkelijke bevoegdheden aan de rechter om het effect van de gevorderde faillietverklaring te moduleren. Wettelijk kan overigens worden afgeweken van het beschikkingsbeginsel (P. Marchal, « Les principes généraux du droit », in RPDB 2011, nr. 190).

De tweede hypothese, die nauw aanleunt bij de eerste, beoogt het geval van de dagvaarding tot faillietverklaring die gepaard gaat met een alternatieve vordering tot vereffening. De rechtbank zal hetzelfde onderzoek verrichten als het onderzoek bedoeld in het voorgaande lid, en zal ook de partijen horen indien zij niet specifiek werden gehoord in dat verband tijdens de inleidende terechtzitting.

De derde hypothese betreft de aangifte van faillissement van de rechtspersoon. Ook hier kan de rechtbank de aangifte van faillissement omzetten in een ontbinding met onmiddellijke sluiting. Wel zijn de voorwaarden anders: de rechtbank beschikt over elementen uit de aangifte, waardoor een makkelijkere beslissing kan worden genomen.  Die beslissing kan ongetwijfeld, in naam van de openbare orde, ambtshalve worden genomen vermits het geval reeds sub judice is, maar het is zaak de rechten van de verdediging te vrijwaren. Om die reden wordt degene die de aangifte van faillissement doet speciaal gehoord.
In de drie gevallenen geschiedt de voorziene openbaarmaking deels via het insolventieregister en deels via het Belgisch Staatsblad.

Wat de rechten van de werknemers betreft, gelden de voorzorgsmaatregelen zoals beoogd in artikel XX.103, eerste tot vierde lid, van het Wetboek van economisch recht.

De rechtsmiddelen zijn degene die zijn opgenomen in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, omdat het in onderhavig geval een vereffening betreft.

Wat betreft de belangen van de schuldeisers (anderen dan de verzoeker tot faillietverklaring), zou het zo kunnen zijn dat zij belang kunnen hebben bij het betwisten van de door de rechter uitgevoerde omzetting, en zij het risico lopen dat tegen hen artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingeroepen, dat preciseert dat derdenverzet door schuldeisers enkel kan worden ingesteld wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt. Om die reden wordt voorzien in een uitzondering op het bepaalde in artikel 1122, 3° van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 56. 

Artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:

“§ 2. Onverminderd artikel 2:74, § 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wordt de beslissing bedoeld in de artikelen XX.104, §§ 2 en 3, neergelegd in het register door toedoen van de griffier.

Het uittreksel vermeldt:

1° de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer;
2° de datum van het vonnis dat de gerechtelijke ontbinding uitspreekt en de rechtbank die het heeft gewezen.”.

Memorie van Toelichting

De beslissing ten gunste van een vereffening komt erop neer dat, voor het vervolg, de vereffeningsprocedure zoals geregeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt gevolgd, met name het geval van ontdekking van nieuwe activa inbegrepen. Aangezien het een faillissementsprocedure betreft die wordt afgesloten ten bate van een invereffeningstelling, zal die afsluiting evenwel een specifieke vermelding moeten krijgen in het insolventieregister.

Art. 57. 

In artikel XX.135, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° worden de woorden “Onverminderd artikel XX.104, §§ 2 en 3,” ingevoegd tussen de woorden “§ 1.” en de woorden “Wanneer blijkt dat het actief”;
2° woorden de woorden “Wanneer” vervangen door de woorden “en wanneer”.

Memorie van Toelichting

Het is zaak dat de faillissementen niet te duur zouden uitvallen. De onmiddellijke sluiting waarin is voorzien in artikel XX.135 van het Wetboek van economisch recht, is een zeer handzame oplossing. Zij wordt gehandhaafd, maar bestaat naast de omzetting waarin is voorzien in de artikelen XX.100 en XX.104 van hetzelfde Wetboek.

Afdeling 2 – Wijzigingen aan het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

Art. 58.

In artikel 2:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  1. in § 1, tweede lid, worden de woorden “In geval van mededeling door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden kan de“ vervangen door het woord “De”;
  2. in § 1, wordt het derde lid opgeheven;
  3. in § 3, worden de woorden “en indien de voorzitter van de rechtbank van oordeel is dat het dossier verder behandeld moet worden, verzoekt de voorzitter van de rechtbank de griffier om de vennootschap op te roepen” vervangen door de woorden “roept de griffier de vennootschap op”.

Memorie van Toelichting

Deze bepaling ruimt bepaalde hinderpalen voor de vereffening onder gerechtelijke supervisie uit de weg. De wijzigingen in kwestie schrappen de vrijwel nooit gebruikte mogelijkheid van een terugverwijzing voor heronderzoek van een vordering tot vereffening door de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden, alsook een controle verricht door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank met betrekking tot het verloop van de procedure. Die complicaties bewezen des te minder hun nut daar zij niet opgenomen zijn in de overeenkomstige bepalingen die van toepassing zijn op de verenigingen en stichtingen.

Art. 59.

In Titel 8, Hoofdstuk 1, Afdeling 1, Onderafdeling 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019, wordt een artikel 2:74/1 ingevoegd, luidende:

“Art. 2:74/1. De rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt op aangifte van de schuldenaar of op verzoek tot faillietverklaring en die overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht oordeelt dat de vennootschap zich in staat van faillissement bevindt maar beslist dat het vonnis van faillietverklaring niet moet worden uitgesproken, kan de ontbinding uitspreken. ”.

Memorie van Toelichting

Dit nieuwe artikel weerspiegelt de procedure uit artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht. Het voegt een grond van gerechtelijke ontbinding toe en voorziet in dat zeer specifieke geval in een ontbinding en afsluiting van de vereffening.

Het is noodzakelijk te bepalen dat de rechtbank de sluiting vaststelt, niet van de vereffening uit faillissement zelf, vermits er geen eigenlijk faillissement is geweest maar enkel een aanzet van faillissementsprocedure. Daaraan wordt een einde gesteld, en het insolventieregister en dientengevolge ook de Kruispuntbank van Ondernemingen kunnen in de gepaste meldingen voorzien.

Art. 60.

Artikel 2:81 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 wordt aangevuld met een lid, luidende:

“In het geval van artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht spreekt de rechter de onmiddellijke sluiting van de vereffening uit.”.

Memorie van Toelichting

Dit nieuwe artikel weerspiegelt de procedure uit artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht.

Art. 61.

Artikel 2:113, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wet van 28 april 2020, wordt aangevuld met een lid, luidende:

“De rechtbank beveelt de onmiddellijke sluiting van de vereffening in de gevallen bedoeld in artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht.”.

Memorie van Toelichting

Dit artikel organiseert de gerechtelijke ontbinding die het gevolg is van de beslissingen genomen door de ondernemingsrechtbank in geval van dagvaarding tot faillietverklaring of in geval van aangifte van faillissement van een vereniging.

Art. 62.

Artikel 2:114, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wet van 28 april 2020, wordt aangevuld met een lid, luidende:

“De rechtbank beveelt de onmiddellijke sluiting van de vereffening in de gevallen bedoeld in artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht.”.

Memorie van Toelichting

Dit artikel organiseert de gerechtelijke ontbinding die het gevolg is van de beslissingen genomen door de ondernemingsrechtbank in geval van dagvaarding tot faillietverklaring of in geval van aangifte van faillissement van een stichting.

Afdeling 3 – Periode waarbinnen de maatregelen van dit hoofdstuk gelden

Art. 63.

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn van toepassing tot en met 31 maart 2021.

Memorie van Toelichting

In deze bepaling wordt de datum van beëindiging van de toepassing van dit hoofdstuk vastgelegd. Deze datum is vastgesteld op 31 maart 2021 maar deze periode kan door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden verlengd indien nodig.

Initiatieven ten voordele van natuurlijke personen

1. Opnieuw tijdelijke verhoging van de inbeslagnemingsdrempels bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek.

De maatregel werd voor het eerst genomen bij het KB van 19 juni 2020 en is op 31 augustus 2020 vervallen.

Er wordt beoogd de inbeslagnemingsdrempels bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek met 20 % te verhogen om de gevolgen van het inkomensverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de pandemie te verminderen.

Er wordt bepaald dat deze maatregel tot en met 31 maart 2021 van kracht blijft.

Art. 6.

De bedragen die worden vermeld in artikel 1409, § 1, eerste tot vierde lid, en § 1bis, eerste tot vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangepast bij het koninklijk besluit van 9 december 2019 tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, worden tijdelijk verhoogd als volgt:

1° het bedrag van 27 000 frank, aangepast tot 1 138 euro, wordt verhoogd tot 1 366 euro;
2° het bedrag van 29 000 frank, aangepast tot 1 222 euro, wordt verhoogd tot 1 467 euro;
3° het bedrag van 32 000 frank, aangepast tot 1 349 euro, wordt verhoogd tot 1 619 euro;
4° het bedrag van 35 000 frank, aangepast tot 1 475 euro, wordt verhoogd tot 1 770 euro;
5° het bedrag van 50 euro, aangepast tot 70 euro, wordt verhoogd tot 84 euro.

Memorie van Toelichting

De voorgestelde bepaling werd aangenomen door de wet van 19 juni 2020 en is buiten werking getreden op 31 augustus 2020. Zij beoogt de in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde inbeslagnemingsdrempels tijdelijk te verhogen, onverminderd wat bepaald is in artikel 1412 van hetzelfde wetboek. Deze drempels, die al werden aangepast bij koninklijk besluit van 9 december 2019 tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, worden met 20 procent verhoogd. Het resultaat wordt afgerond op de hogere euro.

Art. 7.

De bepaling bedoeld in dit hoofdstuk is van toepassing tot en met 31 maart 2021.

Memorie van Toelichting

In deze bepaling wordt de datum van beëindiging van de toepassing van dit hoofdstuk vastgelegd. Deze datum is vastgesteld op 31 maart 2021 maar kan worden aangepast door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

2. Tijdelijke inperking van bepaalde beslagen tegen particulieren

De wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 voerde een tijdelijke inperking in van bepaalde beslagen tegen particulieren, met name van het uitvoerend beslag en van het uitvoerend en bewarend beslag onder derden (loonbeslag). Deze inperking van beslagen tegen particulieren was van toepassing tot 17 juni 2020. Gelet op de huidige omstandigheden met betrekking tot het voortduren van de COVID-19 crisis, zal een soortgelijke maatregel opnieuw ingevoerd worden, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van de overdrachten van lonen. Deze maatregel zal gelden tot 31 januari 2021.

Art. 86.

Alle natuurlijke personen die geen onderneming zijn in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, genieten van een tijdelijke opschorting zoals hierna bepaald:

  1.  behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, kan tegen hen geen uitvoerend beslag worden gelegd;
  2. behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, worden de uitvoerende beslagen die ten opzichte van hen reeds werden gelegd voor de inwerkingtreding van deze wet, geschorst;
  3. tegen hen kan geen bewarend en uitvoerend beslag onder derden dat de betaling van een geldsom tot voorwerp heeft worden gelegd;
  4. tegen hen kan geen overdracht van loon zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers worden uitgevoerd.

Het eerste lid is niet van toepassing:

  1. op de gevallen bedoeld in artikel 1412, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
  2. op alle andere gevallen, wanneer de schuldenaar instemt met het beslag of de voortzetting van de gedwongen tenuitvoerlegging;
  3. in het kader van de invordering van elke veroordeling in strafzaken tot een geldboete, tot een verbeurdverklaring van een geldsom die een schuldvordering tot stand brengt die invorderbaar is op het vermogen van een veroordeelde, tot de gerechtskosten of tot een bijdrage, evenals van elke andere verbintenis tot betaling van een som in strafzaken;
  4. in het kader van de invordering van alle sommen verschuldigd uit hoofde van belastingen, voorheffingen, taksen, rechten, verhogingen, administratieve en fiscale geldboeten, nalatigheidsinteresten en bijbehoren, ingevolge een fiscale of sociale fraude;
  5. op de kennisgevingen bedoeld in de artikelen 434 en 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, 93quater en 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en 36 en 37 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of gelijkaardige regionale regelgeving, in het kader van het opstellen van akten die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp hebben.

Art. 87.

De bepaling bedoeld in dit hoofdstuk is van toepassing tot en met 31 januari 2021.

Memorie van Toelichting

De wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 voerde een tijdelijke inperking in van bepaalde beslagen tegen particulieren, met name van het uitvoerend beslag en van het uitvoerend en bewarend beslag onder derden (loonbeslag).

Deze inperking van beslagen tegen particulieren was van toepassing tot 17 juni 2020.

Gelet op de huidige omstandigheden met betrekking tot het voortduren van de COVID-19 crisis, lijkt het noodzakelijk om een soortgelijke maatregel opnieuw in te voeren, met inbegrip van een tijdelijke opschorting van de overdrachten van lonen.

Deze maatregel zal gelden tot en met 31 januari 2021. De koning kan deze termijn aanpassen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

2020-11-17T12:02:12+00:00 17 november 2020|Categories: Insolventierecht|Tags: |