>, Handels- en financieel recht, Handelsrecht>Recente rechtspraak past de vestigingswetgeving voor aannemers van bouwwerken streng toe (Advocatenbureau Van Cauter)

Recente rechtspraak past de vestigingswetgeving voor aannemers van bouwwerken streng toe (Advocatenbureau Van Cauter)

Auteur: Advocatenbureau Van Cauter

Publicatiedatum: november 2017

Aannemers kunnen slechts werken uitvoeren indien zij over de vereiste vestigingsattesten beschikken. Beschikken zij niet over alle vereiste vestigingsattesten dan kan de volledige aannemingsovereenkomst nietig worden verklaard. Recente rechtspraak past deze nietigheidssanctie streng toe.

Artikel 4 § 1 van de Programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap[1] bepaalt dat elke “KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent die in het handels- of ambachtsregister moet worden ingeschreven, moet bewijzen over de basiskennis van het bedrijfsbeheer te beschikken”. Het koninklijk besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de electrotechniek, alsook van de algemene aanneming [2] voegt daar voor de aanneming van bouwwerken bepaalde vereisten inzake beroepsbekwaamheid aan toe[3].

Deze vestigingswetgeving voor aannemers van bouwwerken wordt van openbare orde geacht. Een aannemer die een gereglementeerde activiteit uitoefent zonder over de vereiste vestigingsattesten te beschikken, stelt zich niet enkel bloot aan penale sancties. Ook de aannemingsovereenkomst, waarbij de aannemer zich heeft verbonden tot het uitoefenen van deze gereglementeerde activiteit, is absoluut nietig[4].

Recente rechtspraak oordeelt streng over deze absolute nietigheidssanctie. Zo oordeelde het Hof van Beroep van Bergen in diverse recente arresten dat wanneer de aannemingsovereenkomst uit een ondeelbaar geheel van prestaties bestaat (m.n. omdat de realisatie van één enkel werk wordt beoogd), er geen reden is om de werken waarvoor de aannemer over de vereiste vestgingsattesten beschikt te onderscheiden van de werken waarvoor hij niet over de vereiste vestigingsattesten beschikt[5]. In dergelijk geval moet volgens het Hof van Beroep van Bergen de nietigheid van de gehele aannemingsovereenkomst worden uitgesproken.

In de zaak dat aanleiding had gegeven tot het arrest het Hof van Beroep van Bergen van 29 maart 2016 had een schrijnwerker ook ruwbouw- en stucwerken verricht. Meer bepaald had de aannemer onder meer het skelet van een gebouw opgetrokken. Volgens het Hof van Beroep van Bergen maakt artikel 7 van het voormelde KB van 29 januari 2007 geen onderscheid naargelang het skelet van een gebouw uit hout of uit ander materiaal bestaat en de omstandigheid dat de fundering werd verzorgd door een derde aannemer verandert niets aan het feit dat de schrijnwerker wel degelijk ruwbouwwerken heeft uitgevoerd. In casu was het volgens het Hof van Beroep van Bergen onmogelijk om, ten minste, de ruwbouwwerken los te koppelen van de andere werken die waren toevertrouwd aan de schrijnwerker, zodat volgens het hof de nietigheid van de gehele aannemingsovereenkomst moest worden uitgesproken[6].

Lees hier het originele artikel

[1] BS 21 februari 1998. De basiskennis van het bedrijfsbeheer en het bewijs hiervan wordt verder uitgewerkt door het KB van 21 oktober 1998 tot uitvoering van Hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.

[2] BS 27 februari 2007. Hierna het KB van 29 januari 2007.

[3] De programmawet van 10 februari 1998, diens uitvoeringsbesluiten en het KB van 29 januari 2007 worden gemeenzaam als de vestigingswetgeving voor de aannemers van bouwwerken aangeduid.

[4] Deze absolute nietigheid van de aannemingsovereenkomst houdt onder meer in dat de rechter deze nietigheid ambtshalve moet opwerpen, elke belanghebbende deze nietigheid kan inroepen en dat de aannemer noch bouwheer een absoluut nietige aannemingsovereenkomst kan bevestigen.

[5] Bergen (20e k.) nr. 2015/RG/835, 13 oktober 2016, DAOR 2017, afl. 121, 50; Bergen (2e k.) nr. 2014/RG/907, 29 maart 2016 en Bergen (16e k.) nr. 2014/RG/20, 21 januari 2015, Res. Jur. Imm. 2016, afl. 2, 112.

[6] Bergen (2e k.) nr. 2014/RG/907, 29 maart 2016, Res. Jur. Imm. 2016, afl. 4, 347.

2017-11-30T12:05:03+00:00 30 november 2017|Categories: Bouwrecht - Handels- en financieel recht - Handelsrecht|Tags: |