>, Verbintenissen- en zakenrecht>Op weg naar een beperkte contractvrijheid binnen B2B-relaties? (Racine)

Op weg naar een beperkte contractvrijheid binnen B2B-relaties? (Racine)

Auteurs: Stijn Claeys en Kato Segers (Racine)

Publicatiedatum: 25/05/2020

B2B contracten waren tot op heden flexibele instrumenten waarin ondernemingen hun afspraken vrij kunnen vastleggen. De Wet van 4 april 2019 houdende wijziging van het Wetboek Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen wil nu het evenwicht tussen contracterende ondernemingen beter bewaren en misbruiken van een situatie van economische afhankelijkheid waarin een onderneming zich ten opzichte van een andere bevindt, tegen gaan.

De wetgever laat zich hierbij inspireren door het Europees mededingingsrecht en door de Europese Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Er worden vier nieuwe onderdelen toegevoegd aan het wetboek Economisch recht

  1. Misbruik van een positie van economische afhankelijkheid;
  2. Onrechtmatige bedingen;
  3. Agressieve marktpraktijken tussen ondernemingen;
  4. Misleidende marktpraktijken tussen ondernemingen;

Het tweede onderdeel treedt in werking op 1 december 2020 en zal van toepassing zijn op alle overeenkomsten gesloten na die datum.

Er wordt een titel 3/1 “Overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen” gecreëerd in Boek VI.

Parallel aan de bepalingen in verband met overeenkomsten met consumenten wordt hierdoor ingegrepen in overeenkomsten tussen ondernemingen (B2B).

De nieuwe regeling is niet van toepassing op  bepaalde sectoren, zoals de financiële sector.

1. Vereiste van transparantie

De nieuwe B2B-wet wil  dat overeenkomsten voldoende begrijpelijk en duidelijk zijn (artikel VI.91/2). Dit impliceert dat elke onderneming haar tegenpartij voor ondertekening van een overeenkomst de verbintenissen begrijpelijk en duidelijk moet uitleggen.

Indien een contract vatbaar is voor interpretatie, wordt gekeken naar de verwachtingen tussen partijen waarbij rekening gehouden wordt met de gebruikelijke praktijken in de sector. Daarnaast blijft ook de algemene interpretatieregel uit artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Bij  twijfel wordt het beding geïnterpreteerd ten nadele van diegene die het bedong (en dus ten voordele van diegene die zich verbindt). In boek X.2 geldt voor ‘commerciële samenwerkingsovereenkomsten (waarbij een onderneming een andere toelaat haar commerciële formule te gebruiken bij het commercialiseren van goederen of diensten) dat het beding altijd geïnterpreteerd wordt ten nadele van de onderneming die haar formule ter beschikking stelt.

2. Catch-all

Artikel VI.91/3 voorziet vervolgens in de catch-all bepaling dat “elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meerdere andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen” onrechtmatig is.

De parlementaire voorbereiding onderstreept dat men hiermee louter een juridisch onevenwicht en dus geen economisch onevenwicht beoogt, waardoor de principes van de vrije markt onaangetast blijven.

Of er sprake is van een onevenwicht, wordt onder meer bepaald door te kijken naar  de handelsgebruiken en de economische realiteit op de markt

3. Zwarte lijst

Naast bovenstaande catch-all bepaling, voorziet nieuw artikel VI.91/4 in een korte lijst van vier bedingen die steeds als kennelijk onrechtmatig worden beschouwd en die dus verboden en nietig zijn:

  • Potestatieve bedingen waarbij de uitvoering van prestaties uitsluitend afhankelijk wordt van de wil van één partij;
  • Eenzijdige interpretatiebedingen;
  • Bedingen waarbij een partij, in geval van betwisting, af dient te zien van elk middel van verhaal;

Bedingen die op onweerlegbare wijze de kennisname of aanvaarding van bedingen, waarvan men geen kennis kon nemen voor contractsluiting, vastlegt.

4. Grijze lijst

Behalve de absolute bepalingen op de zwarte lijst, werd tevens voorzien in een grijze lijst van bedingen die, behoudens tegenbewijs, onrechtmatig zijn. Hier kan het bewijs geleverd worden dat het beding geen kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen, dan wel dat beide partijen uitdrukkelijk en vrij instemden met de situatie die een kennelijk onevenwicht schiep. Het zal hier dus van belang zijn de pre-contractuele fase goed te documenteren zodat kan aangetoond worden dat een beding wel degelijk onderhandeld en aanvaard werd met kennis van zaken.

De lijst omvat acht ‘grijze’ bedingen zoals o.m.:

  • Eenzijdige prijswijzigingsbedingen;
  • Stilzwijgende verlenging en vernieuwing zonder redelijk opzegtermijn;
  • Bedingen die het commercieel risico omkeren zonder tegenprestatie;
  • Opzegbedingen;
  • Bedingen die het wettelijk recht van verhaal bij wanprestatie inperken;
  • Bedingen die partijen geen mogelijkheid geven het contract binnen redelijke termijn te eindigen;
  • Exoneratiebedingen voor aansprakelijkheid voor essentiële verbintenissen;
  • Bedingen die de bewijsmiddelen inperken;
  • Onredelijke boeteclausules;
5. Sanctie

Onrechtmatige bedingen zijn nietig en worden dus uit de overeenkomst gehaald. Enkel wanneer zo’n beding onlosmakelijk verbonden is met de overeenkomst leidt dit tot nietigheid van de gehele overeenkomst.

CONCLUSIE

U doet er goed aan uw template B2B contracten voor 1 december 2020 aan een grondig nazicht te onderwerpen. Wat bijvoorbeeld te denken van clausules die u toelaten het gamma van geleverde producten eenzijdig te wijzigen of de prijzen van deze producten eenzijdig aan te passen? Kan u nog kiezen voor dure arbitrage procedures of beperkt dit het verhaalsrecht al te zeer? Zijn uw boeteclausules niet te streng en is uw beperking van aansprakelijkheid niet te verregaand? En wat met de stilzwijgende verlenging van uw overeenkomsten?

Lees hier het originele artikel

2020-06-05T12:40:45+00:00 6 juni 2020|Categories: Handelsrecht - Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: , |