>>>Hotels en professionele aanbieders van toeristische accommodaties niet langer gebonden door “beste prijs”-clausules in contracten met platformen (Monard Law)

Hotels en professionele aanbieders van toeristische accommodaties niet langer gebonden door “beste prijs”-clausules in contracten met platformen (Monard Law)

Auteur: Caroline Cauffman (Monard Law)

Publicatiedatum: 09/11/2018

Toeristische accommodatie wordt vandaag de dag steeds vaker geboekt via online platformen zoals Booking.com, Otel.com, Airbnb enz. Deze platformen zijn populair bij toeristen omdat zij de mogelijkheid bieden om met één enkele zoekopdracht een overzicht te krijgen van een groot aantal aanbiedingen en om deze met elkaar te vergelijken. Zij zijn populair bij aanbieders van accommodaties omdat zij hen de mogelijkheid bieden om een grote groep aanbieders te bereiken. Vraag en aanbod doen hun werk en op het eerste gezicht is er niets aan de hand, ware het niet dat steeds meer platformoperatoren de economische afhankelijkheid van de aanbieders van toeristische accommodaties uitbuiten en durven over te gaan tot oneerlijke handelspraktijken.

Communicerende vaten

Beide kanten van de platformmarkt functioneren als communicerende vaten: hoe meer accommodaties er worden aangeboden op een platform, hoe groter de kans dat de toerist zijn gading vindt. Hoe groter het aantal toeristen dat gebruik maakt van een platform, hoe belangrijker het wordt voor een aanbieder om zijn faciliteiten via dat platform aan te bieden. Een aanbieder die gebruik maakt van een platform profiteert bovendien mee van de reclame die wordt gemaakt door de platformoperator met de bedoeling om meer toeristen naar het platform te lokken. Dit heeft de laatste jaren geleid tot een sterke economische afhankelijkheid van aanbieders van toeristische accommodaties van bepaalde populaire platformen. Een hotel dat niet aanwezig is op Booking.com bestaat gewoonweg niet.

Platformen hanteren oneerlijke praktijken zoals “beste-prijs”-clausules

Platformoperatoren gebruiken deze economische afhankelijkheid van aanbieders om hen allerlei oneerlijke bedingen op te dringen en zich zowel in de precontractuele sfeer als tijdens de uitvoering van het contract onbetamelijk jegens hen te gedragen.

In verscheidene Europese landen hebben de wetgevers en mededingingsautoriteiten reeds actie ondernemen tegen één van de veel voorkomende onwenselijke praktijken: het hanteren door platformen van “beste-prijs-clausules”, meer technisch “prijspariteitsclausules” genoemd. Prijspariteitsclausules komen voor in verschillende vormen. Soms verplichten zulke clausules de aanbieder om op het platform prijzen en/of andere contractuele voordelen aan te bieden die beter zijn dan de voorwaarden die voor hetzelfde ‘product’ (in het geval van hotels: toeristische accommodaties en aanverwante diensten) worden geboden via andere kanalen (telefoon, eigen website van de aanbieder enz.) Soms verbieden ze enkel op de eigen website van de aanbieder een lagere prijs te vermelden dan op het platform.

Belgische wet biedt bescherming aan aanbieders van toeristische accommodaties

Op 30 juli 2018 heeft de Belgische wetgever een wet aangenomen die prijspariteitsclausules verbiedt in overeenkomsten tussen platformoperatoren en exploitanten van toeristische accommodaties. Het platform mag de exploitant ook geen restricties opleggen inzake kortingen of andere tarifaire voorwaarden van welke aard (art. 5). In de parlementaire voorbereiding wordt benadrukt dat het begrip “tarifaire voorwaarden” ook betrekking heeft op voorwaarden m.b.t. toegang tot bepaalde faciliteiten zoals een spa, een sportzaal, ontbijt, evenals op annuleringsvoorwaarden. Clausules die in strijd zijn met deze wet worden als niet-geschreven en van rechtswege nietig beschouwd (art. 6). Belangrijk is ook om op te merken dat dit niet enkel geldt voor contracten gesloten na de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 10 augustus 2018, maar ook voor eerder afgesloten contracten die doorlopen na de inwerkingtreding van de wet (art. 7).

De wet is van toepassing op alle toeristische accommodaties die in België gelegen zijn, ongeacht het recht dat van toepassing is op het contract afgesloten tussen een exploitant en een platformoperator.

Een belangrijke restrictie van de wet is wel dat zij enkel professionele aanbieders van toeristische accommodaties beschermt. Een exploitant wordt immers gedefinieerd als “elke onderneming die een toeristisch logies uitbaat of voor rekening van wie een toeristisch logies wordt uitgebaat”. Het begrip “onderneming” wordt op zijn beurt, zoals in het Wetboek Economisch Recht, gedefinieerd als “elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” (art. 2, 3° en 5°). Een particulier die een vakantieverblijf aanbiedt op Airbnb zal zich dus niet op deze wet kunnen beroepen om te betogen dat het hem vrij staat om de prijs te bepalen voor het aanbieden van dit vakantieverblijf op een bepaald platform.

Wat betreft de professionele aanbieders van toeristische accommodaties, rijst de vraag of de nietigheid van de prijspariteitsclausules wel een effectieve sanctie is. Indien het platform een juridische procedure tot ontbinding van de overeenkomst of tot het verkrijgen van schadevergoeding zou starten wegens overtreding van een prijspariteitsclausule door een aanbieder, dan zou deze geen succes hebben. Een nietige clausule kan immers niet overtreden worden. Het is echter weinig waarschijnlijk dat het platform zou reageren met een rechtsvordering. De overeenkomsten gesloten tussen platformoperatoren en aanbieders zijn immers veelal overeenkomsten van onbepaalde duur die mits het respecteren van een redelijke opzegtermijn op ieder moment door elk van beide partijen kunnen worden beëindigd. Indien een platformoperator merkt dat een aanbieder toeristische accommodaties zich niet houdt aan een prijspariteitsclausule zal hij wellicht gebruik maken van zijn opzegbevoegdheid. Op de aanbieder rust dan de moeilijke taak om een vordering in te stellen en aan te tonen dat het platform misbruik heeft gemaakt van zijn opzegbevoegdheid.

Een meer succesvol wapen tegen het gebruik van prijspariteitsclausules is wellicht de vordering tot staking. Het hanteren van prijspariteitsclausules in strijd met de Wet van 10 augustus 2018 vormt immers een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor het platform de beroepsbelangen van de professionele aanbieders van logies schaadt of kan schaden in de zin van Art. VI.104 WER. Deze vordering kan niet alleen worden ingesteld door een individuele belanghebbende onderneming, maar ook door een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid. Aan het bevel tot staking kan een dwangsom worden gekoppeld, een bedrag dat door de platformoperator moet worden betaald iedere keer dat hij een prijspariteitsclausule oplegt. In geval van overtreding van een stakingsbevel kan het platform bovendien een boete oplopen van 26 tot 25.000 euro (Art. XV.70 juncto XV.85 WER). Deze bedragen zijn te verhogen met opdeciemen; dat betekent op dit moment dat ze vermenigvuldigd moeten worden met 8. De aanbieder kan uiteraard ook vergoeding vorderen voor de schade die hij geleden heeft door het onwettig optreden van de platformoperator. Dit kan echter niet in dezelfde procedure als de vordering tot staking. Een aparte procedure is vereist.

Ook Europa is van plan tussen te komen

De EU werkt op dit moment aan een Voorstel voor een Verordening die moet leiden tot meer eerlijkheid en transparantie in platform-to-business-verhoudingen. Het toepassingsgebied van dit Verordeningsvoorstel is ruimer dan dat van de Belgische wet. Het Verordeningsvoorstel betreft namelijk alle platform-to-business-verhoudingen, niet alleen deze tussen platformoperatoren en aanbieders van toeristische accommodatie. Het Verordeningsvoorstel verbiedt prijspariteitsclausules echter niet. Het verplicht platformoperatoren enkel om de redenen voor het opleggen van zulke clausules gemakkelijk toegankelijk te maken voor het publiek. Het Verordeningsvoorstel laat het de nationale wetgever wel toe om strengere nationale wetgeving aan te nemen. Het Verordeningsvoorstel verplicht platformoperatoren bovendien om in hun contractuele voorwaarden de objectieve gronden te vermelden die hen het recht geven om de verhouding met een aanbieder op te schorten of te beëindigen.

Wanneer het platform overgaat tot opschorting of beëindiging van de overeenkomst moet het de aanbieder bovendien onverwijld informeren over specifieke feiten of omstandigheden die tot die beslissing hebben geleid evenals van de toepasselijke objectieve grondslag tot opschorting of beëindiging die in de contractuele voorwaarden is vermeld. Het Verordeningsvoorstel verplicht de platformoperatoren bovendien om te voorzien in een intern systeem van klachtenbehandeling en in de mogelijkheid van mediation.

Lees hier het originele artikel

2018-11-14T17:45:02+00:00 14 november 2018|Categories: Handels- en financieel recht - Handelsrecht|Tags: |