>>>De nieuwe regeling inzake onrechtmatige bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen: prof. dr. Ignace Claeys geeft meer uitleg over het toepassingsgebied en de inhoud (LegalNews.be)

De nieuwe regeling inzake onrechtmatige bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen: prof. dr. Ignace Claeys geeft meer uitleg over het toepassingsgebied en de inhoud (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 02/12/2019

Op donderdag 6 februari 2020 spreken Prof. dr. Ignace Claeys (hoofddocent Universiteit Gent en advocaat-vennoot Eubelius) en dr. Thijs Tanghe (advocaat Eubelius) tijdens de studiedag ‘Ondernemingsrecht anno 2020: capita selecta’ over ‘De B2B-wet van 4 april 2019’.

Tijdens deze studiedag worden een aantal capita selecta op het vlak van het ondernemingsrecht op een praktijkgerichte wijze geanalyseerd.
Andere sprekers die dag zijn: dhr. Thomas Van Houtte (voorzitter Ondernemingsrechtbank Antwerpen) over ‘Ondernemingsrecht anno 2020’,  Prof. dr. Reinhard Steennot (hoofddocent consumentenrecht en bankrecht UGent, voorzitter brc Verbruik) over ‘Consumentenbescherming’  en mr. Stijn Claeys (advocaat-vennoot Racine) over ‘Handelstussenpersonen en distributiecontracten: de laatste evoluties’.

Elke deelnemer aan de studiedag krijgt enerzijds het boek ‘Ondernemingsrecht in hoofdlijnen (elfde editie) – september 2019’ (uitgave Intersentia), waarbij Prof. dr. Reinhard Steennot een van de auteurs is, en anderzijds het artikel van Prof. dr. Ignace Claeys en dr. Thijs Tanghe over de B2B-wet van 4 april 2019, gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad.

De regel

Schriftelijke bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen moeten voortaan duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en overeenkomsten kunnen geïnterpreteerd worden aan de hand van onder meer de marktpraktijken die er rechtstreeks verband mee houden

Nieuwe regels zijn van toepassing op ‘ondernemingen’

De nieuwe regels inzake contractuele bedingen zijn van toepassing op overeenkomsten tussen ondernemingen. En in de zin van boek VI WER is een onderneming “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”.

Die specifieke definitie wijkt dus af van het algemene ondernemingsbegrip zoals gedefinieerd in art. I.1, eerste lid, 1° WER dat niet langer vasthaakt aan het criterium van het nastreven van een economisch doel maar tracht vast te knopen aan formele criteria (zoals bv. “iedere rechtspersoon”, behoudens de wettelijke uitzonderingen).

Nieuwe regels staan los van de omvang van de onderneming

De wetgever heeft er dus voor gekozen om de bescherming van de nieuwe regels inzake contractuele bedingen niet te beperken tot kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s), met als gevolg dat de toepassing van de nieuwe regels los van de omvang van een onderneming.

Dit is dus anders dan in het consumentenrecht: de nieuwe regels zijn niet gelinkt aan de bescherming van een partij die geacht wordt zich in een zwakkere positie te bevinden.

Nieuwe regels viseren alle contractuele bedingen

Het is belangrijk te vermelden dat de nieuwe regels evenmin beperkt zijn tot contractuele bedingen in algemene voorwaarden of toetredingscontracten: alle contractuele bedingen worden door de nieuwe regels geviseerd (maar de transparantieregel betreft enkel schriftelijke bedingen).

Nieuwe regels gelden ongeacht het type van de overeenkomst

Die nieuwe regels gelden ongeacht het type of de aard van de overeenkomst. Behoudens een aantal uitsluitingen, vallen dus alle soorten overeenkomsten tussen ondernemingen in principe onder de nieuwe regeling. (bvb. verkoop, huur, aanneming, cessie van schuldvordering, schuld of contract, dading, concessie, commissie, commerciële samenwerkingsovereenkomst, handelsagentuur, franchise en bewaargeving.

Nieuwe regels staan los van het voorwerp van de bedingen

De nieuwe regels inzake contractuele bedingen gelden ongeacht of het voorwerp van de bedingen betrekking heeft op een roerend goed, een onroerend goed, of een dienst. Ze gelden voor producten zoals algemeen gedefinieerd in art. I.1, 4° WER: “goederen en diensten, onroerende goederen, rechten en verplichtingen”.

Wanneer bijzondere regelgeving geldt, krijgt deze krachtens het beginsel van de lex specialis wel voorrang op de regeling van het Wetboek van economisch recht (lex generalis).

Voorbeelden zijn bvb. de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties en de specifieke bepalingen inzake de duur en het opzegrecht met betrekking tot overeenkomsten in de energiesector.

De voorrang van de lex specialis lijkt wel alleen te gelden voor die bedingen die in de lex specialis én de lex generalis zijn geregeld.

Wettelijke uitsluiting van bepaalde contracttypes

Van het toepassingsgebied van de nieuwe regels inzake de contractuele bedingen worden vooreerst de financiële diensten uitdrukkelijk uitgesloten. Een financiële dienst wordt voor de toepassing van boek VI WER gedefinieerd als iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen. Het is volgens de parlementaire voorbereiding evenwel niet de bedoeling om de financiële sector definitief en volledig uit te sluiten van het verbod van onrechtmatige bedingen, maar eerder om rekening te houden met zijn specificiteit.

Om die reden is dan ook in de mogelijkheid voorzien om bij koninklijk besluit bepaalde financiële diensten te onderwerpen aan sommige bepalingen inzake de contractuele bedingen.

Daarnaast zijn de nieuwe regels van de b2b-wet inzake de contractuele bedingen niet van toepassing op overheidsopdrachten en de overeenkomsten die eruit voortvloeien. Volgens de parlementaire voorbereiding vallen ook de overeenkomsten tussen de onderneming aan wie de overheidsopdracht werd gegund en onderaannemers, onder die uitsluiting. Opnieuw kan een koninklijk besluit wel bepaalde wetsbepalingen op die overeenkomsten van toepassing verklaren. De wetgever voorzag wel alleen in een uitzondering voor overheidsopdrachten en de overeenkomsten die eruit voortvloeien, en dus niet voor andere overheidscontracten.

De inwerkingtreding van de nieuwe regels

De nieuwe regels van de b2b-wet inzake de contractuele bedingen treden in werking op 1 december 2020. Ze gelden alleen voor de overeenkomsten gesloten, hernieuwd of gewijzigd na die datum van inwerkingtreding. De nieuwe bepalingen zijn bijgevolg niet van toepassing op de overeenkomsten die nog lopen op de datum van inwerkingtreding. Alleen als die lopende overeenkomsten na de inwerkingtreding gewijzigd of hernieuwd worden, worden de nieuwe wetsbepalingen relevant. Een verlenging van een overeenkomst kan ook als een wijziging worden beschouwd.

Zijn de nieuwe regels van openbare orde of van dwingend recht?

Wat de regels inzake de onrechtmatige bedingen betreft, bestaat ook bij consumentenovereenkomsten discussie over de vraag of die regels van louter dwingend recht zijn dan wel de openbare orde raken. Die discussie is meestal verpakt in de discussie over de absolute dan wel relatieve aard van de nietigheid. De meerderheid van de rechtsleer neemt doorgaans aan dat regels inzake onrechtmatige bedingen louter dwingend recht betreffen en aldus met een relatieve nietigheid worden gesanctioneerd, zij het dat die opvatting soms onder druk komt te staan.

De hamvraag is dan te weten of alle regels inzake de onrechtmatige bedingen van louter dwingend recht zijn en niet de openbare orde raken. Bij bepaalde onrechtmatige bedingen komt minstens ook de bescherming van de openbare orde (en dus een absolute nietigheid) in het vizier. Te denken is bijvoorbeeld aan clausules die de toegang tot de rechter uitsluiten (art. VI.91/4, 3° WER), clausules die excessieve schadevergoedingsbedragen vastleggen en het karakter van een private straf dragen (art. VI.91/5, 8° WER), clausules die een exoneratie voor bedrieglijke fouten van de onderneming bevatten (art. VI.91/5, 6° WER) en clausules die een opzegtermijn uitsluiten bij verbintenissen van onbepaalde duur (art. VI.91/5, 6° WER). Met andere woorden, geval per geval is na te gaan of de betreffende rechtsregel van louter dwingend recht is, dan wel de openbare orde raakt.  Ook van de transparantie- en interpretatieregels mag worden aangenomen dat zij minstens van dwingend recht zijn. De parlementaire voorbereiding geeft immers op algemene wijze aan dat de beschermingsbepalingen van de nieuwe b2b-wet tot doel hebben de publieke economische orde te reguleren en dus minstens van dwingend recht zijn.

Een uitgebreid en volledig overzicht is te vinden in het artikel van Prof. dr. Ignace Claeys en dr. Thijs Tanghe over de B2B-wet van 4 april 2019, gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad.

2019-12-02T13:16:24+00:00 2 december 2019|Categories: Handelsrecht|