>, Verzekeringsrecht>Ziekenhuisbacterie zet schadevergoeding buitenspel… of is er toch een “VAR-momentje”? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Ziekenhuisbacterie zet schadevergoeding buitenspel… of is er toch een “VAR-momentje”? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteur: Arne Fierens (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 07/11/2019

Het Hof van Cassatie beoordeelde in een arrest van 5 september 2019 een arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 november 2017 waarin uitspraak was gedaan over een vordering tot schadevergoeding van een patiënt die besmet raakte met een ziekenhuisbacterie. De patiënt in kwestie had tot tweemaal toe een infectie opgelopen tijdens een rugoperatie die op zich goed was verlopen. Als gevolg van de besmetting, en de daaropvolgende infectie, vielen verschillende nieuwe ziekenhuiskosten ten laste van de patiënt, die deze kosten dan ook wou verhalen op het ziekenhuis.

Het leed weinig twijfel dat er in voorliggend geval een schade was ontstaan voor de patiënt. Echter, om deze schade te kunnen verhalen op het ziekenhuis, en zodoende recht te hebben op schadevergoeding, diende de patiënt ook een fout aan te tonen bij het ziekenhuis, die in causaal verband staat met de schade. En hier knelt nu net het schoentje bij een besmetting met een ziekenhuisbacterie.

De gerechtsdeskundige die in opdracht van het Hof van Beroep te Brussel advies had gegeven, besloot dat zelfs in de meest optimale omstandigheden, waarin een ziekenhuis alle mogelijke kwaliteits- en veiligheidsmaatregelen neemt, slechts 30% van alle infecties kunnen worden vermeden. Het nemen van veiligheidsmaatregelen moet dus voor een ziekenhuis eerder worden aanzien als een inspanningsverbintenis, dan als een resultaatsverbintenis.

Omdat ongeveer 70% van alle infecties onvermijdelijk is, oordeelde het hof van beroep dat het helemaal niet zeker was dat de patiënt in kwestie geen infectie en de daaruit voortvloeiende schade zou hebben opgelopen, zelfs als het ziekenhuis alle mogelijke maatregelen had genomen om een infectie te vermijden.

In het arrest van 5 september 2019 beoordeelde het Hof van Cassatie deze redenering van de appelrechters als juridisch correct. Hiermee bevestigde het Hof van Cassatie dat bij gebrek aan het bewijs van een vaststaand causaal verband tussen het niet treffen van voldoende voorzorgsmaatregelen en de door de patiënt geleden schade, aan de patiënt onmogelijk een schadevergoeding kon worden toegekend.

Maar het Hof van Cassatie sloot de deur voor de patiënt niet helemaal. Het Hof verbrak alsnog het arrest van het hof van beroep omdat de beroepsrechters niet hadden nagegaan of er daarentegen t.a.v. de onfortuinlijke patiënt geen verlies van een kans kon worden aangenomen. Het hof van beroep had dit specifieke punt immers niet verder onderzocht omdat “het verlies van een kans een afzonderlijke schadepost (vormt), waarvoor de (eisers) geen vergoeding vorderen”.

Met dit oordeel zondigde het Hof van Cassatie nochtans niet tegen het beschikkingsbeginsel. Immers had dit Hof in een arrest van 14 december 2017 al geoordeeld dat het voorwerp van de vordering tot schadevergoeding niet wordt gewijzigd door tegelijkertijd na te gaan of er sprake kan zijn van een verlies van een kans. Dit echter voor zover dit punt tegenspraak kan worden gevoerd en het recht van verdediging wordt geëerbiedigd. Het verlies van een kans, dat een gevolg kan zijn van een afwezige of gebrekkige informatieverstrekking over het risico van het oplopen van een ziekenhuisbacterie, kan bijgevolg voor de patiënt toch nog een (beperkte) mogelijkheid vormen om alsnog een (gedeeltelijke) schadevergoeding te bekomen.

Het hof van beroep waarnaar de zaak werd doorverwezen zal ons binnenkort duidelijk maken wat dit verlies van een kans voor de patiënt waard is …

Lees hier het originele artikel

2019-11-17T12:33:54+00:00 17 november 2019|Categories: Medisch recht - Verzekeringsrecht|