>>>Het verbod op oneerlijke bedingen in overeenkomsten ook potentieel van toepassing op ziekenhuizen (EQUAL Partners)

Het verbod op oneerlijke bedingen in overeenkomsten ook potentieel van toepassing op ziekenhuizen (EQUAL Partners)

Auteur: EQUAL Partners

Publicatiedatum: 10/06/2018

In een recent arrest van 17 mei 2018 heeft het EHJ bevestigd dat een hogeschool de beschermende bepalingen dient te eerbiedigen die betrekking hebben tot het verbod op oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een onderneming en een consument.

Het Hof van Justitie werd gevraagd om zich uit te spreken over een contract tussen een vrije onderwijsinstelling en een student. Dit contract betrof de betalingsfaciliteiten voor bedragen die deze studente verschuldigd was, met name het inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis.

Het Hof oordeelde dat een dergelijke dienst, die deze instelling als aanvulling op en ondergeschikt aan haar onderwijsactiviteit verricht, volgend uit zijn aard neer komt op een dienst die betrekking heeft op het verlenen van faciliteiten voor de betaling van een bestaande schuld en vormt dus in wezen een kredietovereenkomst.

Door een dergelijke overeenkomst af te sluiten, wordt de betrokken school beschouwd als een ‘onderneming’ die onderworpen is aan de bepalingen inzake oneerlijke bedingen, ongeacht of haar hoofdactiviteit een publiekrechtelijke beroepsactiviteit betreft of voornamelijk met overheidsmiddelen wordt gefinancierd.

De rechtspraak herinnert eraan dat het verbod op oneerlijke bedingen een beschermstelsel is dat berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper of een onderneming in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper reeds opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 19 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 december 2017, Banco Santander, C‑598/15, EU:C:2017:945, punt 36 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het is mogelijk om deze redenering uit te breiden naar andere aanbieders belast met openbare dienstverlening, zoals ziekenhuizen, openbare kinderdagverblijven, enz. Sterker nog, dergelijke instellingen sluiten inderdaad ook overeenkomsten met burgers af waarbij er een ongelijkheid in de professionele relatie bestaat als gevolg van de “asymmetrie tussen deze partijen op het gebied van informatie en technische bekwaamheden”.

Dergelijke instellingen beschikken namelijk over een permanente organisatie en over technische bekwaamheden waarover de student, die voor privédoeleinden handelt en die toevallig met een dergelijke overeenkomst te maken krijgt, niet noodzakelijk beschikt.

Ter herinnering, een deel van de rechtspraak is van mening dat een ziekenhuis inderdaad een “onderneming” is in de zin van de wet betreffende de bescherming van de consumenten bij de verkoop van consumptiegoederen. Bijgevolg dienen deze beschermende regels toegepast te worden, zelfs in het geval dat een zuiver “consumentistische” benadering in sommige gevallen, niet passend is (Vredegerecht – Fontaine l’Évêque, – J.L.M.B. 13/303).

http://curia.europa.eu/juris/d….

Lees hier het originele artikel

2018-11-23T10:34:14+00:00 23 november 2018|Categories: Gezondheidszorg - Medisch recht|Tags: |