>>Over de stuiting van de verjaring en de inertie van de schuldeiser (Schuermans advocaten)

Over de stuiting van de verjaring en de inertie van de schuldeiser (Schuermans advocaten)

Auteur: Schuermans advocaten 

Publicatiedatum: 29/07/2019

Ingevolge een prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank te Luik mocht het Grondwettelijk Hof zich in een arrest van 3 juli 2019 (nr. 107/2019) voor de zoveelste keer uitspreken over de verjaring van vorderingen. Ook deze keer stond het artikel 2244, §1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek centraal. Volgens deze bepaling stuit (onder meer) een dagvaarding voor de rechtbank de verjaring van de vordering tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

De arbeidsrechtbank vroeg zich af of het wel gerechtvaardigd is dat hierdoor in feite een ‘onverjaarbare vordering’ tot stand komt zolang er geen definitief vonnis is gewezen. Daartegenover werd het artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek geplaatst. Op basis van deze bepaling heeft de schuldenaar de garantie dat de tenuitvoerlegging eindigt tien jaar na de uitspraak. In het eerste geval is er niet direct een sanctie op de inertie van de schuldeiser, terwijl die inertie in het tweede geval na tien jaar de verjaring doet intreden.

Eerst en vooral wees het Grondwettelijk Hof er op dat het aangekaarte verschil berust op een objectief criterium, met name de gedingfase. In het eerste geval is het geding nog hangende en in het tweede werd het geding reeds definitief beslecht. Verder vond het Hof het niet onredelijk dat de stuiting blijft duren totdat een beslissing definitief een einde maakt aan het geschil. In het bijzonder wees het Hof op het feit dat de schuldenaar geenszins machteloos is tegen het stilzitten van zijn schuldeiser. Hij beschikt over diverse middelen om te voorkomen dat het geding oneindig zou duren. Zo kan de schuldenaar:

  • om de instaatstelling van de zaak verzoeken (artikel 747, §2, vijfde lid Gerechtelijk Wetboek);
  • de zaak terug inschrijven op de rol als die daarvan weggelaten zou zijn (artikel 730, §2, a), derde lid Gerechtelijk Wetboek);
  • via de techniek van rechtsmisbruik om de bestraffing van schuldeiser verzoeken als hij de procedure misbruikt;
  • om de veroordeling van de schuldeiser tot betaling van een burgerlijke geldboete vragen als hij de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, onverminderd eventuele schadevergoeding (artikel 780bis Gerechtelijk Wetboek).

Aldus werd de prejudiciële vraag ontkennend beantwoord. De schuldenaars onthouden dat zij over tal van actiemiddelen beschikken om een spoedige rechtsafwikkeling te bekomen. De schuldeisers onthouden dat een onnodig lange rechtsgang bepaalde risico’s met zich kan meebrengen.

Lees hier het originele artikel

2019-08-18T09:59:16+00:00 18 augustus 2019|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: |