>>Inning van de rolrechten, een soep in de maak (Agerant Gerechtsdeurwaarders)

Inning van de rolrechten, een soep in de maak (Agerant Gerechtsdeurwaarders)

Auteur: Kris Slabbaert (Agerant gerechtsdeurwaarders)

Publicatiedatum: 01/07/2019

Bij wet van 14 oktober 2018 wordt het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten betreffende de griffierechten hervormd. Bij KB van 28 januari 2019 wordt uitvoering gegeven aan bovenvermelde wetgeving.

Door de wet van 14 oktober 2018 verschuift de opeisbaarheid van de rolrechten naar het tijdstip van het vonnis of het arrest en worden de rolrechten niet meer voor de aanvang van het geding maar na afloop ervan geïnd. Het is derhalve niet langer de griffier die zal instaan voor inning van de rolrechten maar de Federale Overheidsdienst Financiën. Over de vraag waarom de wetgever een goed werkend systeem van rolrechten heeft gewijzigd is reeds veel inkt gevloeid. De inning zal de verwarring enkel doen toenemen.

Voor wat betreft de te volgen invorderingsprocedure verwijst het uitvoerings-KB naar de procedure die voor de invordering van de niet-fiscale schulden is bepaald in de domaniale wet van 22 december 1949.

De domaniale wet van 22 december 1949 stelt dat iedere som die verschuldigd is aan de Staat of aan Staatsorganismen, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schulden, ingevorderd kan worden op basis van een uitvoerbaar verklaard kohier. De domaniale wet verstaat onder “niet-fiscale schuldvordering“ elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat waarvan de inning wordt verzekerd door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen.

Een eensluidend besluit kan enkel luiden dat rolrechten door de wetgever worden beschouwd als niet-fiscale schulden (anders kan de domaniale wet immers niet worden gevolgd) en dat deze dienen te worden ingevorderd door de administratie van de FOD Financiën belast de inning en de invordering van de niet-fiscale invorderingen.

In het Belgisch Staatsblad verschijnt op 02 mei 2019 het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité houdende reorganisatie van de operationele diensten van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering. Dit besluit trad in werking op 15 april 2019.

In dit besluit worden de kantoren NFI (niet fiscale invorderingen) belast met de invordering van volgende niet-fiscale schuldvorderingen:

  1. Penale boeten, bijdragen en kosten
  2. Verbeurdverklaringen, bijdragen en kosten
  3. Alimentatievorderingen

Nog steeds volgens dit besluit worden de Teams Invordering natuurlijke personen belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen andere dan deze hiervoor werden vermeld, en de rolrechten verschuldigd door een natuurlijk persoon. De Teams Invordering rechtspersonen worden analoog belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen andere dan deze hiervoor werden vermeld, en de rolrechten verschuldigd door een rechtspersoon.

Dit besluit roept twee ernstige vragen op. Vooreerst kan men zich de vraag stellen of het besluit van de voorzitter wel binnen de hem gedelegeerde bevoegdheid valt. In art. 1 van het KB van 15 maart 2010 waarbij de delegatie wordt verleend wordt immers gesteld dat “Indien de wet of een KB er niet reeds over beschikte…” Met andere woorden, heeft de Voorzitter van het Directiecomité de aan hem gedelegeerde bevoegdheid niet overschreden om de inning van de rolrechten toe te wijzen naar de Teams Invorderingen natuurlijke of rechtspersonen als de domaniale wet de bevoegdheid tot inning bij de administratie van de niet-fiscale invorderingen legt?

Verder valt op dat het besluit spreekt over niet-fiscale schuldvorderingen en (eigen onderlijning) rolrechten. Het lijkt dus dat dit besluit lijkt te benadrukken dat rolrechten niet vallen onder de niet-fiscale schuldvorderingen. Indien dit zo zou zijn zet dit de ganse invorderingsprocedure zoals thans voorzien via de domaniale wet van 22 december 1949 op de helling aangezien deze zich beperkt de niet-fiscale invorderingen.

Maar het verhaal gaat verder.

Inmiddels verscheen immers ook de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (BS 30.04.2019). In de wet is voorzien dat deze in werking zal treden vanaf 01.01.2020.

In art. 2 § 1 van deze wet wordt verstaan onder fiscale schuldvorderingen:

a) De volgende belastingen, voorheffingen, taksen en rechten:

  • De inkomstenbelastingen
  • De voorheffingen
  • De met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting
  • De belasting over de toegevoegde waarde
  • De taksen
  • Het rolrecht

b) De verhogingen, administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren met betrekking tot de belastingen, voorheffingen, taksen en rechten bedoeld onder a)

Onder niet-fiscale schuldvordering wordt onder meer begrepen elke som van niet-fiscale aard verschuldigd aan de Staat of aan Staatsinstellingen in hoofdsom en bijbehoren, waarvan de invordering wordt verzekerd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

In de wet van 13 april 2019 wordt derhalve ondubbelzinning gesteld dat de rolrechten een fiscale schuldvordering betreft terwijl de thans voorziene voorlopige inningsprocedure enkel uitdrukkelijk is voorzien voor niet-fiscale schuldvorderingen.

Vraag is dan ook of op heden wel kan worden overgegaan tot inning van de verschuldigde rolrechten krachtens de domaniale wet – die zich beperkt tot de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen – krachtens de Teams Invordering natuurlijke- of rechtspersonen – terwijl de domaniale wet voorziet dat dit de administratie van de niet-fiscale invorderingen dient te zijn?

Het lijkt er derhalve op dat niet enkel de invoering van de rolrechten maar ook de inning de nodige problemen zal creëren.

 

2019-07-01T09:31:30+00:00 1 juli 2019|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , , |