>>Eerherstel voor de Taalwet? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Eerherstel voor de Taalwet? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteur: Jacques Vandeuren (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 11/10/2019

In een eerdere bijdrage werd reeds uitgelegd hoe de wet op het taalgebruik in rechtszaken (hierna Taalwet) – één van de heilige huisjes van ons Belgisch rechtsbestel – werd gekortwiekt. Met de Potpourri VI-wet was namelijk de absolute nietigheid bij schending van de Taalwet afgeschaft.

De rechter had hierdoor geen enkele mogelijkheid meer om eigenhandig in te grijpen wanneer partijen de Taalwet zouden schenden. Ingevolge deze ommekeer kregen de procespartijen dus als het ware vrij spel in de keuze van de taal van de procesgang. Het werd bijvoorbeeld denkbaar dat alle procespartijen kozen om een (burgerlijke) procedure te voeren in het Frans voor pakweg een rechter te Antwerpen en de rechter hierbij verweesd achterbleef. Zelfs indien één van de procespartijen een andere taal zou hanteren, zou een andere partij hier slechts nuttig tegen kunnen opkomen indien zij kon aantonen dat haar belangen zijn geschaad.

Wetgevend initiatief was erop gericht om een einde te maken aan deze toestand en ook Minister Geens kondigde aan dit euvel te willen verhelpen.

Het Grondwettelijk Hof is de wetgever evenwel te snel af geweest en heeft nu zelf ingegrepen. In een arrest van 19 september 2019 vernietigt het Hof de eerdere wetswijziging. Het Hof stelt o.a. dat het recht op een eerlijk proces niet wordt gewaarborgd door een regeling die de rechter ertoe kan verplichten om “kennis te nemen van processtukken die niet zijn gesteld in de verplichte taal van de rechtspleging voor het rechtscollege waartoe hij behoort en die hij wettelijk niet wordt verondersteld te kennen”. M.a.w., indien de rechter rekening moet houden met stukken in een andere landstaal, kan niet worden gegarandeerd dat hij op gepaste wijze kennis neemt van de grieven en argumenten van de partijen.

Het Grondwettelijk Hof heeft met dit arrest aldus het belang van de taal in de rechtspleging terug opgewaardeerd.

Het gevolg van deze vernietiging is evenwel dat men terugkeert naar de (te) rigide regeling van voorheen. De rechter moet ambtshalve een schending van de Taalwet opwerpen en de nietigheid uitspreken van de stukken die hierdoor zijn aangetast, waarbij er (in principe) geen enkele ruimte is om een schending van de Taalwet door de vingers te zien. Ook de ongewenste vertragingen en moedwillige belemmeringen van de procedure zijn dus terug aan de orde. Het valt dus te verwachten dat ook in de toekomst nog zal worden gesleuteld aan deze regeling.

Link naar het arrest 120/2019

Lees hier het originele artikel

2019-10-19T10:30:59+00:00 19 oktober 2019|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , , , |