>>Een deskundigenonderzoek is geen fishing expedition om bewijs te verzamelen (Integra Advocaten)

Een deskundigenonderzoek is geen fishing expedition om bewijs te verzamelen (Integra Advocaten)

Auteurs: Kristof Vanhove en Arthur Weyens (Integra Advocaten)

Publicatiedatum: oktober 2020

In een arrest van 11.09.2020 heeft het Hof van Cassatie verder klaarheid geschapen inzake de grenzen aan het recht op aanstelling van een gerechtsdeskundige overeenkomstig artikel 962 Ger.W. als onderzoeksmaatregel.

Hoewel het Hof erkent dat het recht op aanstelling van een gerechtsdeskundige en het recht op bewijs rechtstreeks aan de rechten van verdediging raken, benadrukt het dat deze rechten
niet absoluut zijn.

Het verzoek tot aanstelling van een deskundige, als instrument in het kader van de uitoefening van het recht op bewijs, kan door de rechter enkel worden toegewezen indien de verzoekende partij voldoende aannemelijk maakt dat zijn vordering tot deskundigenonderzoek is gestaafd door onderliggende feiten die de aanstelling van een deskundige rechtvaardigen.

Het Hof van Cassatie overweegt letterlijk:

“Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen over te leggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht, en schakelt bijgevolg de beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit. Door te beslissen dat er geen reden bestaat om een deskundigenonderzoek te gelasten aangezien de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken, miskennen de appelrechters zijn recht op bewijs niet.”

Met deze beslissing sluit het Hof van Cassatie aan bij de zogenaamde “strengere pertinentievoorwaarde”, op grond waarvan de partij die een deskundige vordert reeds een begin van bewijs moet aanbrengen, minstens met objectieve elementen moet aantonen dat de situatie waarover men zich beklaagt aan haar tegenpartij toerekenbaar is.

Op grond van artikel 962 Ger.W. beslist de rechter immers op soevereine wijze over de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Bij het vorderen van een deze maatregel is het evenwel noodzakelijk dat de feiten ter verantwoording van de aanstelling van de deskundige door de eisende partij voldoende nauwkeurig omschreven worden in de dagvaarding (en de beslissing tot aanstelling vervolgens ook in concreto wordt gemotiveerd in de beschikking van  de rechtbank). Bovendien moet de aanstelling van een gerechtsdeskundige in het licht van de concrete feiten ook verantwoord zijn (m.n. wat betreft de proportionaliteit en opportuniteit van de gevorderde maatregel).

Wanneer een rechter de aanstelling van een deskundige weigert omdat de verzoekende partij de toerekenbaarheid van het beweerde feit aan de verwerende partij niet voldoende aannemelijk maakt, is er dus niet ipso facto sprake van een schending van de rechten van verdediging, noch van het recht op bewijs.

Zgn. “fishing expeditions” naar bewijselementen, waarbij een partij de aanstelling van een gerechtsdeskundige vordert (louter) met het oog op het verzamelen van bewijs lastens haar tegenpartij, zonder dat zij voldoende aannemelijk kan maken dat de door haar ingeroepen feiten toerekenbaar zijn aan tegenpartij, worden dus aan banden gelegd. Het bevelen van een deskundigenonderzoek mag er niet toe leiden dat de verzoekende partij wordt ontheven van haar verplichting om de objectieve elementen voor wat betreft de mogelijke toerekenbaarheid aan de verwerende partij te bewijzen.

Het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 11.09.2020 kan hier worden geraadpleegd.

Lees hier het originele artikel

2020-11-13T11:31:24+00:00 18 november 2020|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , , |