>>De rechter dient niet ambtshalve na te gaan of een partij die niet verschijnt op de pleitzitting de neergelegde conclusies heeft ontvangen – Cass. 23 april 2021 (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

De rechter dient niet ambtshalve na te gaan of een partij die niet verschijnt op de pleitzitting de neergelegde conclusies heeft ontvangen – Cass. 23 april 2021 (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Auteurs: Olivier Vanden Berghe en Jonas Vansevenant (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Publicatiedatum: 07/06/2021

In een cassatiearrest van 23 april 2021 verschafte het Hof van Cassatie enkele verduidelijkingen aangaande de taak van de rechter wanneer een partij niet verschijnt op de pleitzitting.

Luidens het verzoekschrift lag een nogal ongelukkig procedureverloop aan de oorzaak van het cassatieberoep. De verwerende partij in eerste aanleg was aanvankelijk vertegenwoordigd door een raadsman. Er volgde een vonnis waartegen de oorspronkelijke eisende partijen beroep instelden. Bij ontvangst van het beroepsverzoekschrift gaf de advocaat te kennen niet langer op te treden voor de oorspronkelijke verwerende partij. Er werden wel conclusietermijnen en een rechtsdag vastgesteld.

De overige partijen legden beroepsconclusies neer, die door het hof van beroep tijdig en in goede orde werden ontvangen. Op de pleitzitting verscheen de geïntimeerde partij echter niet. Het hof van beroep akteerde de goede ontvangst van de conclusies van de overige partijen, en velde kennelijk een voor de niet-verschenen partij ongunstig arrest.

De niet-verschenen partij meende echter dat zij nooit de conclusies van de overige partijen had ontvangen, en dat het dus de appelrechters betaamde deze conclusies ambtshalve uit de debatten te weren. De geïntimeerde partij tekende dus cassatieberoep aan. Zij beriep zich onder meer op de verplichting van art. 742 Ger.W. om gelijktijdig met de neerlegging, de conclusies aan de tegenpartij te communiceren, en art. 747, §4 Ger.W, dat voorziet in de wering van niet of laattijdig aan de overige partijen meegedeelde conclusies. Daarnaast werd ook een beroep gedaan op het recht op een eerlijk proces zoals vervat in artikel 6.1. EVRM.

Het Hof van Cassatie oordeelde echter dat de beslissing van de beroepsrechters niet in strijd was met de ingeroepen bepalingen. Het Hof bepaalde in het arrest meer precies dat wanneer de rechterlijke beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging regelmatig aan de partijen in kennis is gegeven, de rechtspleging op tegenspraak verloopt en de rechter, bij gebrek aan een hem te kennen gegeven betwisting, ervan mag uitgaan dat de conclusies die regelmatig zijn neergelegd, ook tegelijk regelmatig tussen de partijen zijn meegedeeld. De omstandigheid dat een partij zelf geen conclusie heeft genomen en op de haar ter kennis gegeven rechtsdag niet is verschenen, doet daaraan niet af.

Het cassatieberoep werd dus afgewezen.

Lees hier het originele artikel

2021-06-10T08:39:00+00:00 14 juni 2021|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: |