>, Droit de la construction, Droit public>Over de strafrechtelijke risico’s van de aannemer voor niet-vergunde constructies : aannemer, raadpleeg uw bouwheer/architect tijdig omtrent de stedenbouwkundige vergunning (Schuermans advocaten)

Over de strafrechtelijke risico’s van de aannemer voor niet-vergunde constructies : aannemer, raadpleeg uw bouwheer/architect tijdig omtrent de stedenbouwkundige vergunning (Schuermans advocaten)

Auteur: Schuermans advocaten

Publicatiedatum: 06/12/2017

Veelal stelt het besproken risico zich bij de uitvoering van (relatief) kleine aannemingswerken (bv. zwembaden, garages, carports of (beperkte) renovatiewerken). Niet zelden polsen aannemers bij dergelijke projecten de bouwheer/architect niet naar de goedgekeurde stedenbouwkundige vergunningen en plannen.

Nochtans bepaalt het stedenbouwkundig handhavingsbeleid ondubbelzinnig dat het verrichten van vergunningsplichtige handelingen (bv. bouwen, rooien van bomen, …) zonder vergunning of in strijd met een verleende vergunning strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden. Indien deze door een professional in de bouwsector worden gepleegd worden de minimumstraffen bovendien verhoogd!

In het bewuste arrest van het Hof van Beroep van Gent werd een aannemer gespecialiseerd in het plaatsen van zwembaden vervolgd nu de gerealiseerde constructie op verschillende aspecten in strijd was met de verleende stedenbouwkundige vergunning.

De aannemer voerde het klassieke verweer louter te hebben gehandeld op instructies van bouwheer en architect zodat – in de visie van de aannemer – enkel laatstgenoemden verantwoordelijk zouden kunnen worden gehouden voor de bouwovertreding.

Het Hof ging, in niet mis te verstane bewoordingen, niet in op dit verweer en oordeelde o.m. uitdrukkelijk dat van een professioneel aannemer moet worden verwacht dat deze vóór uitvoering van werken, waarvan hij moet weten dat deze vergunningsplichtig zijn, zich de stedenbouwkundige vergunning moet laten overleggen. Ook hekelt het Hof in deze zaak expliciet dat het aannemingsbedrijf intern geen of te weinig aandacht schonk aan het al dan niet bestaan van een stedenbouwkundige vergunning.

Tenslotte ging het Hof niet in op het verweer dat de aannemer ervan uitging dat e.e.a. vrijgesteld zou zijn van de vergunningsplicht (hetgeen in casu niet het geval was). Het Hof oordeelt dat een aannemer zelf zekerheid moet verkrijgen over de al dan niet vergunde toestand van het project. Het volstaat niet ‘te veronderstellen’ dat een bepaald project wel vrijgesteld zal zijn van de vergunningsplicht.

Moraal van dit verhaal is dat de aannemer zelf moet nagaan of de geplande bouwwerken wel vergund (moeten) zijn.

Lees hier het originele artikel