>>>Vlaamse Regering trekt blind ten strijde tegen het finaal verrekenbeding (Laga)

Vlaamse Regering trekt blind ten strijde tegen het finaal verrekenbeding (Laga)

Auteurs: Alain Laurent VerbekeBart Verdickt en Hélène Casman (Greenille by Laga)

Publicatiedatum: 13/10/2017

Het finaal verrekenbeding

Een finaal verrekenbeding is een clausule die echtgenoten in een huwelijkscontract van scheiding van goederen kunnen opnemen, zodat bij beëindiging van het huwelijk (bij echtscheiding en bij overlijden) hun vermogens met mekaar verrekenen, ‘alsof’ die vermogens in een gemeenschap waren opgenomen. De echtgenoot die meer vermogen heeft opgebouwd heeft dan een schuld tegenover de echtgenoot die
minder vermogen heeft opgebouwd. De verrekening kan ertoe strekken tot gelijke verrekening te komen (50/50) of tot een verrekening volgens een andere sleutel. De maximale sleutel (0/100) laat toe dat bij overlijden van één van de echtgenoten de andere het volledig vermogen van beide echtgenoten verkrijgt. Soms is de sleutel optioneel: de langstlevende zal zelf kiezen welk breukdeel op de vordering moet worden toegepast.

Dergelijke verrekenbedingen zijn geldig. Daar twijfelt niemand aan. Net zo goed als echtgenoten in een gemeenschapsstelsel kunnen overeenkomen dat de gemeenschap gelijk (50/50) zal worden verdeeld, of volledig aan de langstlevende worden toegekend (verblijvingsbeding 0/100).

Fiscale discussies

De vraag is echter hoe dergelijke voordelen voor de langstlevende fiscaal worden behandeld. Voor hen die in gemeenschap zijn gehuwd is de regel duidelijk: alles wat de langstlevende boven de helft van de gemeenschap krijgt, wordt belast. Dus een 50/50 verdeling is fiscaal veilig. Krijgt de langstlevende meer dan 50, dan wordt ze daarop belast (art. 2.7.1.0.4 VCF voor Vlaanderen, art. 5 W. Succ. voor het Brussels en het Waals Gewest).

En bij een scheiding van goederen? Stel dat de man een vermogen heeft van 70 en de vrouw een vermogen van 30. Een verrekening 50/50 verleent de vrouw een voordeel van 20, en verplicht de man inderdaad tot betaling van 20. Hij laat 70 na, min een schuld van 20 aan zijn vrouw; hij houdt netto 50 over. En bij een verrekening 0/100 laat de man een vermogen van 70 na en een schuld van 70 aan zijn vrouw.
Netto-nalatenschap van de man gelijk aan nul. Op die nalatenschap is dan geen erfbelasting verschuldigd. Evenmin op de vordering van 70 die de vrouw verkrijgt.

Op 24 maart 2017 bevestigde het Hof van Cassatie dat de verrekenschuld in de nalatenschap van de overleden echtgenoot inderdaad ook fiscaal als passiefpost aftrekbaar is. De vele pogingen van de fiscale administratie, en vooral van de Vlaamse Belastingdienst om de verrekenschuld als passiefpost te weren, werden daardoor begraven.

Vlaams voorontwerp

Op 14 juli 2017 bereikte de Vlaamse regering echter een akkoord over een voorontwerp van decreet dat diverse bepalingen wijzigt van de VCF inzake erfbelasting. Daaruit bleek dat de Vlaamse regering verrekenbedingen in de toekomst wil belasten. De manier waarop de Vlaamse regering de verrekenbedingen kost wat kost wil belasten ontlokte onmiddellijk veel kritiek. Het voorontwerp werd verzonden
naar de Raad van State voor advies en de hoop/verwachting was dat het voorontwerp zou worden aangepast na een kritisch advies van de Raad van State. Inmiddels is het advies van de Raad van State er, en werd duidelijk dat de Vlaamse Regering het voorontwerp niet zal aanpassen. De tekst zal dus (één dezer dagen) ongewijzigd worden ingediend in het Vlaamse Parlement. In de Memorie van Toelichting stelt de Vlaamse regering dat zij handelt uit billijkheidsoverwegingen en dat zij rechtszekerheid wil creëren.

Billijkheidsoverwegingen?

Men kan begrijpen dat de Vlaamse decreetgever het verschil in behandeling tussen echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel en echtgenoten gehuwd onder een scheidingsstelsel zou willen wegwerken. Hiervoor had het evenwel volstaan om de regel die voor gemeenschapsstelsels geldt, uit te breiden tot stelsels van scheiding van goederen. Indien huwelijksvoordelen die ontstaan door een andere
verdeelsleutel van de gemeenschap dan 50/50 (wat de wettelijke regel is voor al wie zonder huwelijkscontract huwt), belastbaar zijn, worden ook huwelijksvoordelen die ontstaan door een andere verrekensleutel dan 50/50 in een scheiding van goederen belast. Fair enough.

Voor de bescherming van de langstlevende echtgenoot zou de fiscale prijs dan dezelfde zijn in stelsels van gemeenschap van goederen en in stelsels van scheiding van goederen. Dergelijke aanpak zou inderdaad door billijkheidsoverwegingen zijn ingegeven.

Maar de Vlaamse regering gaat veel verder. Ze wil gewoonweg de volledige verrekenschuld negeren. Zelfs de verrekenschuld die ontstaat bij een gelijke verrekening. Dus in het voorbeeld waar de man een vermogen heeft van 70 en de vrouw een vermogen van 30, zal de verrekenschuld van de man niet mogen afgetrokken worden van zijn vermogen. Dat zal nog steeds 70 zijn, en daarop zal erfbelasting worden geheven. Ook al moet er 20 aan de vrouw worden uitbetaald. Terwijl de echtgenoten daarmee enkel bereiken dat er een gelijke
verrekening is, net hetzelfde als hetgeen gebeurt voor echtgenoten die zonder huwelijkscontract zijn gehuwd.

Het is ons een raadsel hoe de Vlaamse regering een dergelijk verschil in behandeling kan verantwoorden. Evenmin begrijpen we dat de Raad van State hierin geen graten zag. Wij zien hierin alvast voer voor een procedure bij het Grondwettelijk Hof. Als het decreet in deze versie wordt gestemd en de gelegenheid zich aandient, trekken wij alvast naar het Grondwettelijk Hof.

De Raad van State heeft enkel opgemerkt dat er in de nieuwe regeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen waarachtige en niet-waarachtige schulden, waarbij wordt gealludeerd op clausules in het huwelijkscontract die schulden zouden doen ontstaan die in feite nooit zouden worden ingevorderd, en enkel om fiscale redenen zouden worden bedongen. In de Memorie van Toelichting luidt het antwoord op deze opmerking dat ook bij vergoedingsrekeningen dat onderscheid niet wordt gemaakt (vergoedingsrekeningen zijn rekeningen die worden
opgemaakt bij vermogensverschuivingen tussen het eigen en het gemeenschappelijk vermogen, en die overigens slechts in specifieke omstandigheden fiscaal in aanmerking komen om de omvang van de nalatenschap te bepalen). Dat is dus wat de Vlaamse Regering duidelijkheid noemt.

Daarbij opteert de Vlaamse regering bovendien voor een onmiddellijke inwerkingtreding van de nieuwe regeling. De nieuwe regeling zal dus gelden voor alle nalatenschappen die openvallen vanaf de inwerkingtreding van het decreet (vermoedelijk dus vanaf 1 januari 2018). Dat betekent dat echtgenoten die in het verleden een finaal verrekenbeding in hun huwelijkscontract hebben ingevoegd eveneens worden
geviseerd. Dat is zo, zelfs indien zij dat in tempore non suspecto zouden hebben gedaan, gesterkt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie, en zelfs in een periode waarin er nog geen sprake was van een fiscale antimisbruikbepaling voor successierechten (in werking getreden op 1 juni 2012).

De Vlaamse Regering lijkt zich alvast juridisch te willen indekken wat betreft die onmiddellijke inwerkingtreding. In de Memorie van Toelichting stelt zij immers – maar hoe zwak luidt dit: “Een eventuele inwerkingtreding enkel voor bedingen afgesloten na de datum van inwerkingtreding zou tot bijzonder complexe en overigens onrechtvaardig ogende situaties aanleiding geven. Er zouden dan immers gedurende zeer ruime tijd sterk verschillende benaderingen van deze bedingen door de administratie moeten worden toegepast, wat de
transparantie en de beoogde billijke behandeling geenszins ten goede zou komen.”

Conclusie

Een klassieke bekommernis van veel echtparen is om op het einde van het huwelijk tot een gelijke verdeling te komen, minstens van tijdens het huwelijk opgespaard vermogen. Dit wordt in de toekomst – voorlopig enkel in het Vlaams Gewest – wel erg moeilijk gemaakt. Hoewel de Vlaamse regering aangeeft uit billijkheidsoverwegingen te handelen, zal het resultaat van de voorgenomen regeling allerminst billijk zijn.
Met deze regeling voert de decreetgever een onverantwoord onderscheid door tussen twee categorieën van echtgenoten die zich in een economisch vergelijkbare situatie bevinden, m.n. echtgenoten gehuwd onder het wettelijk stelsel en echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen met een finaal verrekenbeding. Een annulatieberoep bij het Grondwettelijk Hof is onvermijdelijk.

Lees hier het originele artikel