>>>Het nieuwe insolventierecht I – Verruiming van het toepassingsgebied en betere opsporing van ondernemingen in moeilijkheden (Schoups)

Het nieuwe insolventierecht I – Verruiming van het toepassingsgebied en betere opsporing van ondernemingen in moeilijkheden (Schoups)

Auteurs: Dave Mertens en Joost Bats (Schoups)

Publicatiedatum: 05/09/2017

In onze eerdere nieuwsflash van 10 januari 2017 berichtten wij u reeds kort over de op til zijnde hervorming van het insolventierecht. Intussen keurde het Parlement op 13 juli 2017 de nieuwe Insolventiewet goed. De nieuwe wet verschijnt eerstdaags in het Belgisch Staatsblad en zal als boek XX in het Wetboek economisch recht (WER) worden geïntegreerd. De inwerkingtreding ervan is voorzien op 1 mei 2018. De nieuwe bepalingen zullen toepasselijk zijn op insolventieprocedures geopend vanaf deze datum. Op enkele uitzonderingen na zouden de bestaande regels dus wel blijven gelden voor reeds lopende insolventieprocedures.

Naar aanleiding daarvan zullen wij in een aantal nieuwsbrieven dieper ingaan op de belangrijkste wijzigingen. Zo zullen wij in onze volgende nieuwsbrieven de belangrijkste wijzigingen op het stuk van de gerechtelijke reorganisatie en het faillissement nader toelichten. Alvorens hier nader op in te gaan, is het nuttig om eerst het verruimde toepassingsgebied te bespreken. Ook de gewijzigde rol van de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden (die de kamers voor handelsonderzoeken vervangen) zal hieronder aan bod komen.

Om het toepassingsgebied van de nieuwe insolventiewet te definiëren, wordt een bijzonder ruim ondernemingsbegrip gehanteerd. De volgende drie categorieën worden daarbij als onderneming gekwalificeerd:

  • iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, met inbegrip van zaakvoerders en bestuurders en de beoefenaars van een vrij beroep (bv. advocaten). De specifieke wetgeving die op vrije beroepers van toepassing is, blijft weliswaar gelden, o.m. om de eerbiediging van het beroepsgeheim te vrijwaren.
  • iedere rechtspersoon, ongeacht haar statutaire of feitelijke activiteit. Niet alleen vennootschappen, maar ook vzw’s en stichtingen vallen hier dus onder. Het is m.a.w. van geen belang of de rechtspersoon al dan niet goederen of diensten aanbiedt op een markt.

De uitbreiding naar rechtspersonen die economisch niet actief zijn wordt verantwoord door de overweging dat deze organisaties tevens een structuur van rechtspersoonlijkheid bezitten die soms verregaande gevolgen kan hebben voor derden. Enkel publiekrechtelijke rechtspersonen vallen niet onder het toepassingsgebied, terwijl er voor financiële ondernemingen in een afwijkend regime wordt voorzien.

Het is overigens onzeker of vzw’s en stichtingen (onverkort) onder het toepassingsgebied zullen blijven vallen. Twee jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd of de in boek XX voorziene insolventieprocedures ‘passend’ zijn voor vzw’s en stichtingen. Zo nodig zal de minister van justitie “denksporen voor wetgevende verbetering”voorstellen.

  • iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, tenzij die geen uitkeringsoogmerk heeft en ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden. Concreet betekent dit dus dat maatschappen en andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid wel onder het toepassingsgebied ressorteren, maar de zgn. feitelijke verenigingen niet. Het wordt algemeen aanvaard dat een maatschap over een afgescheiden vermogen beschikt, zodat het nuttig is om de zelfstandigheid daarvan tevens in het insolventierecht te erkennen.

Tegelijkertijd wordt voorzien in een aantal regels om de rechten van verdediging van de afzonderlijke ‘vennoten’ te vrijwaren. Wanneer bijvoorbeeld een faillissementsprocedure tegen de maatschap wordt geopend, moeten de maten eveneens in de procedure worden betrokken. Op deze manier wordt vermeden dat een maatschap failliet zou worden verklaard, terwijl een maat nog voldoende activa heeft om de passiva van de maatschap te vereffenen. Let wel, het faillissement van de maatschap impliceert niet automatisch het faillissement van alle maten, ook al zijn alle maten insolvent. Een dergelijke situatie kan immers aanleiding geven tot verschillende insolventieprocedures, waarbij een faillissementsprocedure wordt geopend op niveau van de maatschap, terwijl de maten zich in een procedure van gerechtelijke reorganisatie bevinden.

Voormelde categorieën zijn voortaan dus onderworpen aan de regels inzake faillissement- en gerechtelijke reorganisatie. Daarmee wordt het toepassingsgebied van deze procedures aanzienlijk verruimd. Terwijl de oude faillissementswet enkel openstond voor “kooplieden”, werd in de WCO een enger ondernemingsbegrip gehanteerd. Aan het ondernemingsbegrip wordt in de nieuwe insolventiewet een ruimere draagwijdte gegeven, waarbij men gebruik maakt van formele criteria om dit begrip te definiëren, eerder dan een materieel criterium (“op duurzame wijze een economisch doel nastreven”). Dit biedt als voordeel dat de kwalificatie als onderneming gemakkelijker wordt, hetgeen meer rechtszekerheid biedt.

De wetgever heeft in de memorie van toelichting reeds aangekondigd dat het de bedoeling is om dit ondernemingsbegrip als bouwsteen te gebruiken voor de bepaling van het toepassingsgebied van andere wetgeving, zoals andere boeken van het WER, het Ger.W. en het BW. De oorspronkelijke bedoeling van de minister was overigens om dit nieuwe ondernemingsbegrip meteen algemeen van toepassing te verklaren. Dit bleek echter te ambitieus, mede gelet op de verregaande gevolgen daarvan. Voorlopig blijft de bestaande definitie van ‘onderneming’ dus gelden voor de andere boeken van het WER (Art.I.1° WER: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”). Naar verwachting zal uitstel echter geen afstel betekenen.

Daarnaast worden de kamers voor handelsonderzoeken omgedoopt tot “kamers voor ondernemingen in moeilijkheden”. Inhoudelijk wijzigt er niet zo heel veel in de nieuwe insolventiewet: deze kamers blijven de toestand van ondernemingen in moeilijkheden opvolgen om de continuïteit daarvan te vrijwaren en de bescherming van de rechten van de schuldeisers te verzekeren. Bedoeling is wel om de gegevens over de toestand van ondernemingen digitaal te verzamelen, zodat het administratief werk dat gepaard gaat met een handelsonderzoek kan worden vereenvoudigd en de kamers zich voortaan meer aandacht kunnen besteden aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.

Veel belangrijker is echter de meer actieve rol die aan de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden wordt toegekend in de nieuwe wet van 17 mei 2017 over de gerechtelijke ontbinding van vennootschappen. Wanneer de kamers van oordeel zijn dat de gerechtelijke ontbinding van een vennootschap kan worden uitgesproken, kunnen zij het dossier voortaan rechtstreeks meedelen aan de rechtbank van koophandel om hierover uitspraak te doen. Voorheen konden de kamers het dossier enkel overmaken aan het Openbaar Ministerie en lag het initiatief voor het initiëren van de procedure van gerechtelijke ontbinding uitsluitend bij het Openbaar Ministerie. Deze omweg wordt thans dus weggewerkt. Wanneer het dossier aan de rechtbank wordt meegedeeld, heeft de rechtbank de keuze: ofwel kent zij een regularisatietermijn toe waarbij zij het dossier voor opvolging terugstuurt naar de kamer, ofwel spreekt zij ineens de ontbinding uit. Voor een meer uitgebreide bespreking van deze nieuwe wet, verwijzen wij graag naar onze nieuwsflash van 10 augustus 2017 (link toevoegen)

Lees hier het originele artikel

2017-10-11T08:57:34+00:00 14 septembre, 2017|Categories: Droit des affaires - Faillite et LCE|Tags: |