>>>Verduidelijking 45.000 Eur-grens : tellen ook de bezoldigingen als werknemer mee? (Van Havermaet)

Verduidelijking 45.000 Eur-grens : tellen ook de bezoldigingen als werknemer mee? (Van Havermaet)

Auteur: Stijn Janssens (Van Havermaet)

Publicatiedatum: 26/10/2018

De minimale bezoldiging is een vereiste om te genieten van een verlaagd tarief voor vennootschapsbelasting. Het bedrag ervan is opgetrokken van 36.000 naar 45.000 EUR. Maar tellen ook de bezoldigingen als werknemer mee om te bepalen of dit bedrag is bereikt?

Eén van de blikvangers van Het Zomerakkoord was de tariefdaling inzake de vennootschapsbelasting. Zo daalde het gewone tarief van 33,99% naar 25%. Voor de jaren 2018 en 2019 is dat 29,58%.

Het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting daalde zelfs naar 20%. Weliswaar op het deel van de belastbare basis die 100.000 EUR niet overschrijdt. Voor 2018 en 2019 is dat 20,4%.

Het gedeelte boven 100.000 EUR wordt belast aan het gewone tarief in de vennootschapsbelasting.

Minimale bezoldigingsvereiste : van 36.000 EUR …

De toepassing van het verlaagd opklimmend tarief was onder de oude wetgeving evenwel onderworpen aan het voldoen van een reeks voorwaarden. Eén daarvan was dat tijdens het belastbaar tijdperk aan minstens één bedrijfsleider natuurlijk persoon een minimale bezoldiging moest worden toegekend van 36.000 EUR.

Als de winst lager was dan 36.000 EUR, gold als afwijkende voorwaarde dat de minimale bezoldiging toegekend aan ten minste één bedrijfsleider natuurlijke persoon minstens gelijk moest zijn aan het belastbaar resultaat van het belastbaar tijdperk.

…naar 45.000 EUR

Deze minimale bezoldigingsvereiste is behouden als voorwaarde in de nieuwe tariefstructuur. Met dit verschil dat de minimum bezoldigingsvereiste werd verhoogd van 36.000 EUR naar 45.000 EUR.

Dus ook voor de toepassing van het verlaagd tarief na de hervorming vennootschapsbelasting blijft het van cruciaal belang een minimale bezoldiging toe te kennen aan ten minste één bedrijfsleider natuurlijk persoon.

Onbezoldigd als bedrijfsleider maar bezoldigd als werknemer: vóór het zomerakkoord

Het kan evenwel gebeuren dat een bedrijfsleider (natuurlijk persoon) naast zijn (onbezoldigd) mandaat als bedrijfsleider ook als werknemer in dezelfde vennootschap werkt. Telt de bezoldiging verkregen als werknemer mee om te beoordelen of de minimale bezoldigingsvereiste is nagekomen? Zelfs als het mandaat als bedrijfsleider onbezoldigd uitgeoefend wordt?

Op basis van het zogenaamde “attractiebeginsel” zou een logische conclusie kunnen zijn dat deze bezoldigingen ook meetellen. Dat attractiebeginsel bepaalt namelijk dat alle bezoldigingen die een bedrijfsleider van een vennootschap ontvangt, geacht worden bedrijfsleidersbezoldigingen uit te maken.

Maar het Grondwettelijk Hof besliste in 2001 dat het attractiebeginsel niet doorwerkt in dergelijke situaties. De wet werd later trouwens aangepast aan deze rechtspraak. De bezoldigingen  die de bedrijfsleider in zijn hoedanigheid van werknemer ontvangt, worden dan ook niet beschouwd als bedrijfsleidersbezoldigingen.

Als gevolg van deze uitspraak had de logische conclusie moeten zijn dat deze bezoldigingen ook niet meetellen in het kader van de 36.000 EUR-grens. Toch besliste het Grondwettelijk Hof in 2005 dat dergelijke bezoldigingen verkregen in de hoedanigheid van werknemer tóch zouden meetellen. Anders zou het in strijd zijn met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.

De bezoldigingsvereiste had namelijk als doel om te vermijden dat door de oprichtingen van vennootschappen belastingen en sociale bijdragen zouden worden ontweken. In geval de bedrijfsleider een bezoldigd mandaat als werknemer uitoefent, is er van ontwijking geen sprake. En mogen de bezoldigingen die de bedrijfsleider verkrijgt in zijn hoedanigheid van werknemer tóch meetellen om te bepalen of de 36.000 EUR-grens bereikt is.

Onbezoldigd als bedrijfsleider maar bezoldigd als werknemer: na het zomerakkoord

Aan de minister werd de vraag gesteld of deze principes onverkort gehandhaafd kunnen worden na Het Zomerakkoord onder het nieuwe tarief inzake vennootschapsbelasting en de 45.000 EUR-grens. De minister antwoordde in de kamercommissie Financiën op 20 juni 2018 dat dit inderdaad mag. Ook in het kader van de beoordeling van de 45.000 EUR-grens mogen de bezoldigingen verkregen in de hoedanigheid van werknemer mee in aanmerking genomen worden.

Afzonderlijke aanslag in geval van te kort inzake bezoldigingsvereiste

Het Zomerakkoord verplicht alle vennootschappen ook om ten laste van het resultaat aan ten minste één bedrijfsleider natuurlijke persoon een minimale bezoldiging toe te kennen van 45.000 EUR. Gebeurt dit niet dan wordt de vennootschap bestraft met een afzonderlijke aanslag van 5% (5,1% voor 2018 en 2019) op hetgeen te weinig aan bezoldiging werd toegekend.

De minister antwoordt dat ook hier de bezoldigingen die een bedrijfsleider verkrijgt vanuit zijn hoedanigheid als werknemer mee in aanmerking mogen worden genomen in het kader van de beoordeling van de 45.000 EUR-grens.

Conclusie

Ook na het zomerakkoord mag de bezoldiging die een onbezoldigd bedrijfsleider verkrijgt vanuit zijn statuut als werknemer mee in aanmerking genomen worden om te bepalen of de minimale bezoldigingsvereiste van 45.000 EUR is voldaan. En dit zowel wat betreft het verlaagd tarief inzake vennootschapsbelasting als de afzonderlijke aanslag van 5%.

Lees hier het originele artikel

2018-11-04T11:49:01+00:00 4 november 2018|Categories: Directe belastingen - Fiscaal recht|Tags: , |