>>>“’T is gebeurd!” – Forfaitaire waardering gratis woonst: KB/WIB92 eindelijk aangepast conform Circulaire (Tiberghien)

“’T is gebeurd!” – Forfaitaire waardering gratis woonst: KB/WIB92 eindelijk aangepast conform Circulaire (Tiberghien)

Auteurs: Ben Van Vlierden en Ellen Vandingenen (Tiberghien)

Publicatiedatum: 08/01/2019

1. In onze voorgaande nieuwsbrief van 17 mei 2018 werd de Circulaire 2018/C/57 van 15 mei 2018 besproken over de forfaitaire raming van de voordelen van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning.

De problematiek is ondertussen door iedereen wel gekend, en deze kwam al meermaals aan bod in onze eerdere nieuwsbrieven van 23 juni 201623 maart 2018 en 17 mei 2018.

2. In navolging van veelvuldige positieve rechtspraak heeft de fiscale administratie middels de Circulaire van 15 mei 2018 het standpunt ingenomen dat het onderscheid in de berekening van het belastbaar voordeel naargelang dat voordeel wordt toegekend door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ongrondwettelijk is. In dat geval diende het berekende voordeel namelijk vermenigvuldigd te worden met een factor 1 (in geval van een terbeschikkingstelling door een natuurlijke persoon) resp. factor 3,8 (in geval van een terbeschikkingstelling door een rechtspersoon, ervan uitgaande dat het niet-geïndexeerd KI groter is dan 745 EUR1).

Om die verschillende behandeling weg te werken, moest artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 worden aangepast. Op het moment van het uitvaardigen van de Circulaire werd nog (intern) bekeken “hoe dat best kan gebeuren” (cf. Circulaire 2018/C/57, punt 5).
De Minister van Financiën kondigde reeds eerder een wijziging in de regelgeving aan in zijn antwoord op een parlementaire vraag van 25 april 2018: “Om evenwel een einde te maken aan de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals dat thans is voorzien in artikel 18 van [KB/]WIB92, zal er, zodra de administratie klaar is met het volledige juridische en budgettaire onderzoek, een concreet voorstel tot definitieve oplossing bij de regering worden ingediend” (Mond. Vr. nr. 25058, P. Vanvelthoven, 25 april 2018, Kamercomm. Financiën, Criv 54 Com 878, 38).
Ook op de Ministerraad van 30 maart 2018 werd aangekondigd dat de opdracht werd gegeven om de waardering van dit voordeel van alle aard voor woningen te analyseren zodat de huidige discriminatie zal worden weggewerkt, maar waarbij de waardering dichter zal aansluiten bij de marktprijs.

3. Dit is nu gebeurd. Het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 tot wijziging van het KB/WIB92 op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2018, vervangt het eerste en het tweede lid van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 als volgt:
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/90 van het kadastrale inkomen van ongebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan. 
Voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het kadastrale inkomen, vermenigvuldigd met 2.”

Het besluit is van toepassing op de vanaf 1 januari 2019 betaalde of toegekende voordelen.

4. In het Verslag aan de Koning bij het KB wordt gemeld dat de fiscale administratie de betreffende arresten (cf. Gent 24 mei 2016 en Gent 20 februari 2018) aan een grondige juridische analyse heeft onderworpen om na te gaan of er, enerzijds, technische argumenten voorhanden waren om alsnog het onderscheid te verantwoorden tussen een voordeel toegekend door een natuurlijke persoon en een voordeel toegekend door een vennootschap, en, anderzijds, of en op welke grond desgevallend een voorziening in Cassatie kan worden ingediend.

In beide gevallen was het oordeel evenwel negatief. In het eerste geval waren reeds alle technische argumenten reeds aangehaald tijdens de gerechtelijke procedures die evenwel door de rechtbanken/hoven van beroep naast zich werden neergelegd. In het tweede geval is het indienen van een voorziening bij het Hof van Cassatie niet mogelijk volgens de fiscale administratie aangezien het concreet niet gaat over de schending van een wetsartikel, maar over de schending van het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (dixit hoven van beroep).

5. In de nieuwe regeling wordt er geen onderscheid meer gemaakt in de factor naargelang het (niet-geïndexeerd) KI van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed al dan niet 745 EUR overschrijdt.

6. Daarnaast zou de keuze voor de toepassing van factor 2 het resultaat zijn van cijfers uit de praktijk waaruit is gebleken dat de berekening aan factor 2 het beste overeenstemt met een maandelijkse huur die iemand zelf moet betalen voor een gelijkaardige woning.

In het advies 64.538/3 dd. 27 november 2018 van de Raad van State werd hieromtrent nog ernstige twijfel geuit of de ontworpen regeling wel effectief van aard is om de werkelijke waarde van het voordeel bij de verkrijger zo veel mogelijk te benaderen. De Raad van State heeft nl. aangenomen dat voor de nieuwe regels rechtsgrond kan worden gevonden in artikel 36, §1, tweede lid WIB92 (“Anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard gelden voor de werkelijke waarde bij de verkrijger”), voor zover die regels ertoe strekken de werkelijke waarde bij de verkrijger te benaderen (cf. artikel 36, §1, eerste lid WIB92).

En daar knelt nu volgens de Raad van State het schoentje. Verwijzend naar het advies van de Inspectie van Financiën blijkt dat er helemaal geen “studie” of “cijfers uit de praktijk” bestaan. Aan de hand van concrete KI’s werd volgens de beleidscel van de Minister van Financiën het voordeel berekend met een factor2, en werd er vervolgens nagegaan of deze bedragen overeenstemden met een normale aanvaardbare huur. Er werden steekproeven genomen via telefoon zonder enige schriftelijke neerslag, en dit werd afgetoetst met enkele accountantskantoren. De Raad van State werpt op dat – gelet op de motivering van bestuurshandelingen – het reglementair bepalen van een VAA minstens een cijfermatige onderbouw vergt die aantoont dat het berekende voordeel overeenstemt met de reële waarde van het voordeel. Concreet zou de Inspectie van Financiën de oefening hebben gemaakt op basis van haar eigen woning. Met de toepassing van een factor 2 zou een huur van 746 EUR een correcte huur zijn. Op basis van de huurschatter van de Vlaamse Overheid zou zij nochtans een huur kunnen vragen van ong. 1.100,00 EUR. Op basis van die steeproef zou een factor 3 dan ook correcter zijn geweest. Ofschoon de Raad van State besluit dat de rechtsgrond van de nieuwe regeling op basis van het voorgaande zeer wankel is, wordt het besluit zonder enige verdere verantwoording aangenomen met toepassing van factor 2.

7. Daarnaast werpt de Raad van State in zijn advies nog op dat een verschillende behandeling naargelang het gaat om in België of in het buitenland gelegen onroerende goederen ook een probleem doet rijzen in het licht van het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, vermits de nieuwe regeling opnieuw vertrekt van de notie van het kadastraal inkomen, die enkel voor Belgische onroerende goederen bestaat en aldus niet toepasbaar is op in het buitenland gelegen onroerende goederen. Hoewel volgens de Raad van State beter gewerkt zou worden met een “huurwaarde” (in voorkomend geval verminderd met de bijdrage van de verkrijger van de kostprijs van het voordeel) i.p.v. met een “kadastraal inkomen” als referentie-element, wordt het advies van de Raad van State niet gevolgd in het uiteindelijke KB. De problematiek van het buitenlands onroerend goed zal nl. slechts zeer uitzonderlijk voorkomen, d.i. ingeval van gratis terbeschikkingstelling van een buitenlands onroerend goed door een Belgische werkgever aan een werknemer die inwoner is in België. Het aanpassen van de waarderingsregels zou voor iedereen disproportioneel zijn ten aanzien van het nadeel voor deze specifieke situatie. In het Verslag aan de Koning wordt dan ook vermeld dat het oplossen van de problematiek voor de ongelijke behandeling tussen Belgisch en Europees vastgoed via een afzonderlijke reglementering zal worden opgelost, hetgeen zou kunnen leiden tot een nieuw koninklijk besluit inzake de voordelen voor het gratis ter beschikking stellen van een onroerend goed.

8. De fiscale administratie heeft op 24 december 2018 de rentevoet meegedeeld die van toepassing zal zijn voor het kalenderjaar 2019 in geval van wanbetaling tegenover de Schatkist, zoals voorgeschreven door artikel 414, §1, derde lid WIB92. De rentevoet, bedoeld in artikel 414, §1, tweede lid WIB92, zal 4 procent bedragen (zoals reeds het geval was voor kalenderjaar 2018) (cf. Bericht dd. 24 december 2018 van de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en Ondersteuning – Dienst Reglementering).

Bron: Koninklijk Besluit dd. 7 december 2018 tot wijziging van het KB/WIB92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, BS 27 december 2018, p. 103.303 (Verslag aan de Koning, en Advies RvS 64.538/3 van 27 november 2018).

Lees hier het originele artikel

2019-01-14T11:56:32+00:00 14 januari 2019|Categories: Directe belastingen - Fiscaal recht|Tags: , |