>>>Het verblijvingsbeding voor onverdeelde eigen goederen (KPMG)

Het verblijvingsbeding voor onverdeelde eigen goederen (KPMG)

Auteur: KPMG

Publicatiedatum: januari 2020

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht bevestigt uitdrukkelijk dat bepaalde clausules in een huwelijkscontract ter regeling van een onverdeeldheid tussen echtgenoten die gehuwd zijn met scheiding van goederen een huwelijksvoordeel kunnen vormen. In een recente ruling heeft de Vlaamse Belastingdienst (hierna: VLABEL) zich voor het eerst uitgesproken over een ‘verblijvingsbeding’ met betrekking tot onverdeelde goederen in een stelsel van scheiding van goederen. En dat blijkt een interessante piste te zijn voor een familiale planning tussen echtgenoten die elkaar wensen te beschermen …

Het klassieke verblijvingsbeding

Het verblijvingsbeding is allicht beter gekend als het ‘langst-leeft-al-heeft-beding’. Dit beding wordt traditioneel opgenomen in een huwelijkscontract van echtgenoten die gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel en die wensen dat de langstlevende van hen in elk geval het volledige gemeenschappelijk vermogen verkrijgt bij overlijden van de andere echtgenoot.

Op deze manier worden de erfaanspraken van de kinderen met betrekking tot de gemeenschappelijke goederen buitenspel gezet. De kinderen kunnen deze toebedeling aan de langstlevende echtgenoot immers in beginsel niet betwisten door hun minimale erfaanspraken (de ‘reserve’) in te roepen, al gelden hiervoor wel bepaalde grenzen in twee gevallen:

  • Wanneer de overleden echtgenoot een eigen goed heeft ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen zal de helft van de waarde van het ingebrachte goed, dat als gevolg van het verblijvingsbeding toekomt aan de langstlevende, wél vatbaar zijn voor inkorting. Deze vordering tot inkorting kan enkel ingesteld worden door gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten.
  • Indien er niet-gemeenschappelijke kinderen zijn, dus bij nieuw samengestelde gezinnen, geldt er een strengere regel. In dat geval kan het verblijvingsbeding niet meer dan de helft van de huwelijkse aanwinsten toekennen aan de langstlevende echtgenoot. Het meerdere is niet ‘reservebestendig’ en is vatbaar voor inkorting.

Dit zogenaamde ‘huwelijksvoordeel’ heeft dus als gevolg dat men de langstlevende partner maximaal kan beschermen op een manier die door de kinderen onaanvechtbaar is zolang men binnen de voormelde grenzen blijft.

Nu ook voor onverdeelde goederen

In een stelsel van (zuivere) scheiding van goederen beschikt elke echtgenoot over een eigen vermogen en is er geen gemeenschappelijk vermogen. Goederen die de echtgenoten samen verwerven, worden dan door beiden aangehouden in onverdeeldheid: elke partner heeft daarbij in principe de helft van de onverdeelde goederen in zijn of haar eigen vermogen.

Overigens is eenzelfde onverdeeldheid ook perfect mogelijk met betrekking tot de eigen goederen van echtgenoten die gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel, zoals hun voorhuwelijkse goederen.

Voor deze onverdeelde goederen kunnen de echtgenoten allerlei regelingen treffen om elkaar maximaal te beschermen. Die kunnen het voorwerp uitmaken van een beding van aanwas (dat de echtgenoten buiten hun huwelijkscontract om kunnen afsluiten), of kunnen in een stelsel van scheiding van goederen betrokken worden in een finaal verrekenbeding dat voorzien wordt in het huwelijkscontract.

Sinds 1 september 2018 bepaalt de wet echter uitdrukkelijk dat echtgenoten die gehuwd zijn met scheiding van goederen vrije afspraken kunnen maken in hun huwelijkscontract over hun onverdeelde goederen. Zij kunnen daarbij alle bedingen opnemen die in een gemeenschapsstelsel kunnen worden opgenomen voor de verdeling van gemeenschappelijke goederen, dus ook een verblijvingsbeding om de onverdeelde goederen exclusief en volledig aan de langstlevende toe te kennen. Deze voordelen zijn ook te beschouwen als huwelijksvoordelen waardoor ze voor de kinderen reservebestendig zijn binnen de hoger vermelde grenzen.

En wat is de fiscale kostprijs?

De hiervoor beschreven technieken om de langstlevende te beschermen, hebben wel vaak een fiscale kostprijs.

Zo is de langstlevende die gehuwd was onder een gemeenschapsstelsel en op grond van een verblijvingsbeding alle gemeenschappelijke goederen verkrijgt, erfbelasting verschuldigd op alles wat hij of zij verkrijgt boven de helft van die gemeenschap. Bij overlijden van de langstlevende partner zullen de kinderen diens volledige vermogen erven, waardoor dezelfde goederen (de helft van de vroegere gemeenschap) mogelijk een tweede maal belast worden met erfbelasting.

Sluiten de echtgenoten voor één of meer van hun eigen goederen een beding van aanwas af, dan aanvaardt VLABEL dit slechts indien er tussen de echtgenoten een gelijkwaardigheid is qua overlevingskans én qua ‘inleg’. Is die er niet, dan kan er afhankelijk van de situatie schenk- of erfbelasting worden gevorderd. Is die er wel, dan blijft de aanwas van roerende goederen belastingvrij en wordt de aanwas van onroerende goederen belast met het verkooprecht van in principe 10% (in Vlaanderen).

Het finaal verrekenbeding in geval van overlijden wordt in Vlaanderen sinds eind 2017 belast met erfbelasting. Ondanks de kritiek hierop vond het Grondwettelijk Hof dit geen probleem.

Maar wat indien het verblijvingsbeding betrekking heeft op onverdeelde eigen goederen van echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen?

Wel, de fiscaliteit hierover valt mee en werd door VLABEL bevestigd in een recente ruling: het gaat immers niet om gemeenschappelijk vermogen. Daardoor kan de regel die stelt dat de langstlevende erfbelasting verschuldigd is op hetgeen hij of zij verkrijgt boven de helft van de gemeenschap niet worden toegepast. Het gaat evenmin om een verrekening tussen de echtgenoten, en de voorwaarden van gelijkwaardigheid qua overlevingskansen én inleg voor een geldig beding van aanwas spelen ook niet. Het gaat immers om een huwelijksvoordeel dat opgenomen is in het huwelijkscontract en dat uitdrukkelijk is toegelaten door de wetgever. Een verblijvingsbeding voor onverdeelde eigen roerende goederen blijft dan ook belastingvrij voor de langstlevende. Dat geldt zelfs indien een echtgenoot een eigen goed onverdeeld heeft gemaakt via een clausule in het huwelijkscontract.

Heeft het verblijvingsbeding betrekking op een onroerend goed dat beide echtgenoten samen in onverdeeldheid hebben verworven, dan is de langstlevende in Vlaanderen hierop geen 10% verkooprecht verschuldigd, maar 2,5% verdeelrecht. Gaat het daarentegen om een onroerend goed dat door één van de echtgenoten via het huwelijkscontract in onverdeeldheid werd gebracht (wat 10% verkooprecht op de helft van het onroerend goed impliceert), dan is de andere echtgenoot 10% verkooprecht verschuldigd wanneer hij de andere helft van het onroerend goed verkrijgt op grond van het verblijvingsbeding. Is de inbrengende echtgenoot de langstlevende, dan zal die het verdeelrecht verschuldigd zijn.

Conclusie

Een verblijvingsbeding met betrekking tot onverdeelde goederen kan voor echtgenoten die gehuwd zijn met scheiding van goederen een interessant alternatief zijn voor de reeds langer bestaande technieken om de langstlevende echtgenoot te beschermen.

Lees hier het originele artikel